ECLI:NL:PHR:2003:AF8562

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01914/02 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 47 UitleveringswetArt. 46 UitleveringswetArt. 116 SvArt. 117 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid en ontvankelijkheid klaagschrift inzake inbeslagname in uitleveringsprocedure

In deze zaak diende klaagster een klaagschrift in op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen de inbeslagname van een geldbedrag dat bij haar broer, de opgeëiste persoon, was aangetroffen in het kader van een uitleveringsprocedure naar Duitsland.

De Rechtbank te Haarlem verklaarde zich onbevoegd om van het klaagschrift kennis te nemen en verwees het door naar de Hoge Raad, die als cassatierechter optrad. De Hoge Raad stelde vast dat op het moment van behandeling van het klaagschrift de uitspraak over de uitlevering en de overdracht van het geld nog niet onherroepelijk was, waardoor de Rechtbank bevoegd was om het klaagschrift te behandelen.

Echter, inmiddels was de uitspraak omtrent de uitlevering onherroepelijk geworden, zodat een inhoudelijke behandeling van het klaagschrift door de Rechtbank geen verandering meer kon brengen. De Hoge Raad concludeerde dat het klaagschrift ongegrond verklaard moest worden, aangezien het geld aan de Duitse autoriteiten mocht worden overgedragen en klaagster geen zelfstandig rechtsmiddel had tegen deze beslissing.

De Hoge Raad benadrukte dat hoewel de Rechtbank zich ten onrechte onbevoegd had verklaard, het terugzenden van het klaagschrift aan de Rechtbank zinloos zou zijn omdat deze het toch ongegrond zou verklaren. De procedure werd daarmee beëindigd met een afwijzing van het klaagschrift.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en de overdracht van het inbeslaggenomen geld aan de Duitse autoriteiten blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 01914/02 B
Mr. Fokkens
Zitting 6 mei 2003
Conclusie inzake:
[klaagster]
1. De Rechtbank te Haarlem heeft zich bij beschikking van 29 augustus 2002 onbevoegd verklaard om van het door klaagster ingediende beklag kennis te nemen, en bepaalt dat het klaagschrift zou worden doorgezonden aan de Hoge Raad, zijnde het wel bevoegde gerecht.
2. Namens klaagster heeft mr. J.P.C. ten Wolde, advocaat te Haarlem, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen wil ik het volgende opmerken. De Rechtbank achtte zich onbevoegd om van het klaagschrift kennis te nemen en heeft het klaagschrift derhalve doorgezonden naar de in haar ogen bevoegde rechter.
4. Er is derhalve geen sprake van een beroep in cassatie dat zou zijn ingesteld door klaagster tegen de beschikking van de Rechtbank. De griffie van de Hoge Raad heeft, na ontvangst van het klaagschrift, echter een aanzegging ingevolge art. 447, lid 1, Sv aan klaagster doen uitreiken, inhoudende onder meer dat een advocaat tijdig namens haar een schriftuur moest indienen op straffe van niet-ontvankelijkheid. Voorts vermeldt de aanzegging dat klaagster beroep in cassatie zou hebben ingesteld tegen de beschikking en dat de stukken dienaangaande op 4 september 2002 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Dit verklaart de indiening van een schriftuur alsmede waarom in de schriftuur (abusievelijk) wordt gesproken over een op 4 september 2002 ingesteld beroep in cassatie.
5. Bij gebreke van een cassatieberoep dienen de middelen echter buiten beschouwing te blijven.
Zo niet de beschikking van de Rechtbank waarbij zij zich onbevoegd heeft verklaard en heeft bepaald dat het klaagschrift moest worden doorgestuurd naar de Hoge Raad.
6. De aan die beschikking van de Rechtbank ten grondslag liggende gang van zaken was als volgt. Klaagster heeft op 19 juli 2002 bij de Rechtbank een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan haar van een onder haar broer inbeslaggenomen geldbedrag.
7. De betreffende broer, [de opgeëiste persoon], was op 15 mei 2002 ter fine van uitlevering aan Duitsland aangehouden. Daarbij is het geldbedrag, dat hij bij zich had, in beslag genomen.
Bij uitspraak van 22 juli 2002 heeft de Rechtbank vervolgens de uitlevering van [de opgeëiste persoon] toelaatbaar verklaard en bepaald dat het inbeslaggenomen geld aan Duitsland dient te worden overgedragen. Op dezelfde dag heeft [de opgeëiste persoon] beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.
8. Het klaagschrift van klaagster is op 22 augustus 2002 behandeld ter openbare zitting in raadkamer. Op 29 augustus 2002 volgt de beschikking waarbij de Rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het klaagschrift kennis te nemen, omdat de broer [de opgeëiste persoon] voor de aanvang van de behandeling daarvan (de beschikking dagbepaling is gedateerd op 23 juli 2002) reeds beroep in cassatie had ingesteld. Hiermee was, in de ogen van de Rechtbank, de Hoge Raad de bevoegde rechter geworden, zijnde het gerecht waarvoor de zaak op dat moment diende dan wel het laatst had gediend.
9. Art. 47 van Pro de Uitleveringswet bepaalt in het derde lid dat onder meer art. 552a Sv van overeenkomstige toepassing is in geval van inbeslagneming in het kader van een uitlevering, en dat in de plaats van het in art. 552a Sv genoemde bevoegde gerecht de rechtbank treedt -voorzover in het onderhavige geval van toepassing- tot welke de vordering tot behandeling van het uitleveringsverzoek is gericht.
10. Nog daargelaten dat, analoog aan art. 552a lid 2 Sv, er van uitgegaan kan worden dat ook art. 47 Uitleveringswet Pro ziet op de rechter die de uitlevering feitelijk behandelt(1), kan uit de uitdrukkelijke aanwijzing van de Rechtbank in art. 47 Uitleveringswet Pro worden afgeleid dat de Hoge Raad als bevoegde rechter bij de feitelijke behandeling van een klaagschrift over in het kader van een uitlevering inbeslaggenomen zaken niet in beeld komt.
11. In het licht van het voorgaande was de Rechtbank derhalve, ook nadat de broer cassatie had ingesteld, de bevoegde rechter met betrekking tot het klaagschrift van klaagster. De Rechtbank heeft zich derhalve ten onrechte onbevoegd verklaard.
12. Dit zou betekenen dat de Hoge Raad zich onbevoegd verklaart en bepaalt dat het klaagschrift wordt teruggezonden naar de Rechtbank. Ware het niet dat zich de volgende complicatie voordoet.
13. Het door [de opgeëiste persoon] ingestelde cassatieberoep is, naar mij ambtshalve bekend is, door de Hoge Raad bij arrest van 12 november 2002 (zaaknr: 01678/02 U, LJN: AE8853) verworpen. De uitspraak terzake de uitlevering en de overdracht van het geld aan Duitsland is daarmee inmiddels onherroepelijk geworden.
14. Wat voor gevolgen heeft dit voor de positie van klaagster?
In HR 14 juni 1984, DD 94.390, heeft de Hoge Raad bepaald dat in het geval de Rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan inzake de toelaatbaarheid van de uitlevering en de daarbij verzochte overdracht van inbeslaggenomen zaken, tegen de inbeslagneming daarvan niet meer kan worden opgekomen langs de weg van art. 552a Sv, maar enkel door aanwending van het tegen de uitspraak, waarbij de overdracht is bevolen, openstaande rechtsmiddel.(2) Aantekening daarbij verdient dat het in die zaak de opgeëiste persoon/beslagene was die een klaagschrift over die inbeslagname had ingediend. Voor hem stond er een rechtsmiddel open tegen de uitspraak van de Rechtbank omtrent de uitlevering en afgifte van het inbeslaggenomene.
15. In de onderhavige zaak betreft het echter de zus van de opgeëiste persoon. Haar staat geen rechtsmiddel ter beschikking tegen de uitspraak van de Rechtbank waarbij naast de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van haar broer tevens de afgifte van het inbeslaggenomen geld werd bevolen.
16. In zijn uitspraak van 31 augustus 1982 (NJ 1983, 218) wijst de Hoge Raad (in rechtsoverweging 5.3) op het volgende:
"In de art. 46 en Pro 47 Uitleveringswet wordt een afgeronde regeling gegeven voor inbeslagneming van voorwerpen op verzoek van de bevoegde buitenlandse autoriteiten en de afgifte daarvan, ook tegen de wil van belanghebbende in, onder de voorwaarden als vermeld in art. 47, waarbij ten behoeve van en ter bescherming van rechten van belanghebbenden bepaalde artikelen van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing zijn verklaard."
17. Het betreft hier de artikelen 116 tot en met 119, 552a en 552c tot en met 552e Sv.
18. Klaagster heeft een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend. Op het moment dat het klaagsters klaagschrift werd behandeld door de Rechtbank (22 augustus 2002) was de uitspraak omtrent de uitlevering nog niet onherroepelijk. De Rechtbank had derhalve het klaagschrift kunnen behandelen. De Rechtbank is echter niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het klaagschrift, omdat zij meende daartoe niet bevoegd te zijn.
19. Inmiddels is de uitspraak omtrent de uitlevering echter onherroepelijk geworden. En daarmee ligt er tevens een onherroepelijke uitspraak over de afgifte van het inbeslaggenomen geld. Een hernieuwde, althans inhoudelijke, behandeling van het klaagschrift door de Rechtbank kan daarin geen verandering meer brengen (vgl. HR 28 mei 2002, zaaknr: 00165/01 B, LJN: AE1184 en HR 28 mei 2002, zaaknr: 00166/01 B, LJN:AE1186).
20. In dat licht is het terugsturen van het klaagschrift naar de Rechtbank dan ook zonder zin. De Rechtbank kan immers niet anders dan het ongegrond verklaren.(3) Een eventuele gegrondverklaring van het klaagschrift laat namelijk onverlet dat met het onherroepelijke bevel tot afgifte van het geld tevens vaststaat dat het geld aan de Duitse autoriteiten mocht worden afgegeven (vgl. HR 12 juni 1985, NJ 1985, 175).
21. Hoewel ik mij realiseer dat klaagster door de foutieve beoordeling van de Rechtbank van haar bevoegdheid ter zake nu verstoken blijft van een behandeling van haar klaagschrift, vermag ik niet in te zien hoe de Rechtbank, na terugzending van het klaagschrift aan haar, tot een andere beslissing zou kunnen komen dan ongegrondverklaring van het klaagschrift.
22. Hoewel bij gebreke van een cassatieberoep de Hoge Raad in dezen eigenlijk geen uitspraak kan doen, anders dan zich onbevoegd te verklaren om van het klaagschrift kennis te nemen met bepaling dat het klaagschrift naar de Rechtbank zal worden gestuurd, lijkt het mij toch goed dat de zaak, gelet op de onvermijdelijkheid van de uitkomst, hier tot een, in ieder geval wat betreft de procedure ex art. 552a Sv, einde komt.
23. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen en het klaagschrift ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv.
1 En hoewel de Hoge Raad als feitenrechter kan optreden in een uitleveringszaak, trad hij in de aan deze zaak ten grondslag liggende uitlevering op als cassatierechter.
2 Zie ook Sjöcrona/Orie, Internationaal strafrecht, 3e druk, p. 143/144.
3 Zie ook Swart, Nederlands uitleveringsrecht, p. 545.