ECLI:NL:PHR:2003:AF8678
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overgangsrecht en niet-ontvankelijkheid bij niet-aanbieden transactie in Opiumwetzaak
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het geen transactie had aangeboden aan de verdachte, terwijl volgens de nieuwe richtlijnen en aanwijzingen voor strafvordering Opiumwet van 2000 dit wel verplicht was. Het feit was gepleegd op 13 november 2000, toen nog de oude richtlijn van 1996 gold, maar de vervolgingsbeslissing werd genomen na inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn en aanwijzing per 1 januari 2001.
Het hof had geoordeeld dat de nieuwe beleidsregels van toepassing zijn op vervolgingsbeslissingen na 1 januari 2001, ongeacht de datum van het feit, omdat de aanwijzing een overgangsregeling bevat die dit expliciet bepaalt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de aanwijzing en de richtlijnen samenhangend moeten worden gelezen vanwege hun procesrechtelijke karakter.
De Hoge Raad wijst ook het verweer af dat het OM niet niet-ontvankelijk verklaard mag worden maar dat de rechter het verzuim moet compenseren door een straf op te leggen die gelijk is aan het transactieaanbod. In deze zaak eiste het OM een werkstraf in plaats van een geldboete conform het transactievoorstel, waardoor het hof terecht het OM niet-ontvankelijk verklaarde.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof. De zaak benadrukt het belang van het naleven van overgangsrechtelijke bepalingen in strafvorderingsrichtlijnen en de gevolgen van het niet aanbieden van een transactie wanneer dit volgens de geldende richtlijnen verplicht is.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet aanbieden van een transactie conform de geldende richtlijnen.