ECLI:NL:PHR:2003:AF8756

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01927/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 7:446 BWArt. 7:455 BWArt. 7:456 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling poging tot diefstal met geweld van medisch dossier van asielzoeker

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte is veroordeeld wegens poging tot diefstal met geweld van een medisch dossier dat toebehoorde aan de Medische Opvang Asielzoekers. De tenlastelegging hield in dat verdachte het dossier uit de handen van het slachtoffer heeft getrokken, waarbij hij geweld gebruikte door het slachtoffer vast te klemmen en in een hoek te drukken.

Het hof heeft de tenlastelegging verduidelijkt door de uitvoeringshandelingen als onderdeel van het geweld te lezen, zonder de strafrechtelijke betekenis te veranderen. De Hoge Raad bevestigt dat deze uitleg binnen de grenzen van de tenlastelegging blijft en geen wezenlijk ander feitelijk gebeuren betreft.

Verdachte voerde aan dat het dossier niet aan een ander toebehoorde, omdat hij eigenaar zou zijn van zijn medisch dossier. De Hoge Raad overweegt dat het eigendomsrecht van medische dossiers bij asielzoekers niet bij de patiënt zelf berust, maar bij het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de Medische Opvang Asielzoekers, conform het Reglement persoonsregistratie Overdracht Medische Gegevens (COSMOS).

De middelen van cassatie worden verworpen, waarbij wordt opgemerkt dat het hof het verweer terecht heeft verworpen, zij het op een onjuiste grond, zonder dat verdachte daardoor in zijn belang is geschaad. Het beroep wordt derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor poging tot diefstal met geweld wordt bevestigd.

Conclusie

Nr.01927/02
Mr. Jörg
Zitting 13 mei 2003
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 19 maart 2002 wegens poging tot diefstal met geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.I. Pul, advocaat te Doetinchem, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
4. Aan verzoeker is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 07 april 1999 in de gemeente Zeewolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een (medisch) dossier, geheel of ten dele toebehorende aan Medische Opvang Asielzoekers, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat
- hij, verdachte, die [slachtoffer] met zijn armen heeft vastgeklem(d) en/of vastgehouden en/of (vervolgens)
- hij, verdachte, die [slachtoffer] in een hoek heeft vastgedrukt en/of (vervolgens)
- hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig aan het dossier (welke zich in de handen van die [slachtoffer] bevond) heeft getrokken."
5. Blijkens het arrest van 19 maart 2002 heeft het hof ten aanzien van de tenlastelegging het volgende overwogen:
"In de telastelegging zijn de uitvoeringshandelingen naar het oordeel van het hof ten onrechte geplaatst in het kader van de omschrijving van het geweld. Het hof leest de telastelegging verbeterd in die zin dat achter het woordje "verdachte" in de vijfde regel van de telastelegging de uitvoeringshandelingen aldus worden gelezen: "aan dat dossier, dat zich in de handen van [het slachtoffer] bevond, heeft getrokken".
6. Het hof heeft vervolgens ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat
"hij op 07 april 1999 in de gemeente Zeewolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederechtelijke toeëigening weg te nemen een (medisch) dossier, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte aan dat dossier, dat zich in de handen van [het slachtoffer] bevond, heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond(en) dat
- hij, verdachte, die [slachtoffer] met zijn armen heeft vastgeklem[d] en/of vastgehouden en/of (vervolgens)
- hij, verdachte, die [slachtoffer] in een hoek heeft vastgedrukt."
7. Volgens het middel heeft het hof, door de omschrijving van het bijkomende geweld als uitvoeringshandeling aan te merken, de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Van een kennelijke misslag die verbeterd kon worden gelezen is geen sprake, aldus het middel. Verzoeker is door de wijziging in zijn belang geschaad nu het hof verzoeker bij ongewijzigde tenlastelegging had moeten vrijspreken wegens het niet of onvoldoende omschreven zijn van de uitvoeringshandelingen in de tenlastelegging.
8. Vooropgesteld zij dat volgens vaste jurisprudentie de rechter de (juiste) inhoud van de tenlastelegging vaststelt, en deze dus moet interpreteren. Daarnaast eerbiedigt volgens vaste jurisprudentie de Hoge Raad iedere door de feitenrechter aan de tenlastelegging gegeven uitleg die niet onverenigbaar is met haar bewoordingen.
9. De feitenrechter is bij de interpretatie van de tenlastelegging gebonden aan haar feitelijke en strafrechtelijke grenzen. Dat houdt in dat hij niet een wezenlijk ander feitelijk gebeuren dan tenlastegelegd mag bewezenverklaren, en dat de uit de tenlastelegging naar voren komende strafrechtelijke betekenis van het aan een verdachte gemaakte verwijt niet wezenlijk mag worden veranderd (Melai, art. 261 Sv Pro, aant. 6.9). Tot slot wijs ik erop dat een tenlastelegging als één geheel moet worden gelezen.
10. Blijkens de in de oorspronkelijke tenlastelegging opgenomen wetsartikelen heeft het openbaar ministerie bedoeld poging tot diefstal, met geweld, ten laste te leggen. Door de verbeterde lezing van het hof is derhalve de strafrechtelijke betekenis van het aan verzoeker gemaakte verwijt niet veranderd.
11. Ook de feitelijke grenzen van de tenlastelegging zijn niet overschreden door de verbeterde lezing. De feiten zoals tenlastegelegd houden in dat verzoeker [het slachtoffer] heeft vastgeklemd en vastgehouden, in een hoek heeft gedrukt en heeft getrokken aan het dossier dat zij vasthield. De interpretatie van het hof, dat de poging tot diefstal van het medisch dossier erin bestond dat verzoeker aan het dossier, dat [het slachtoffer] blijkens de bewijsmiddelen stevig voor haar borst onder haar armen klemde, trok, waarbij hij geweld gebruikte dat eruit bestond dat hij haar vastklemde en in een hoek drukte, houdt dus niet een andere feitelijke toedracht in.
12. Door voormelde uitleg van de tenlastelegging en de daarmee samenhangende verbeterde lezing daarvan heeft het hof derhalve aan de oorspronkelijke tenlastelegging geen andere betekenis gegeven. Dat de verbeterde lezing ten nadele van verzoeker strekt is nogal wiedes: anders begon het hof er niet aan. Het belang van verzoeker bij een onjuiste tenlastelegging verdient rechtens evenwel geen bescherming
13. Het eerste middel faalt dan ook.
14. Het tweede middel klaagt erover dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen, nu het dossier niet toebehoort aan een ander, althans, voor zover dat het geval zou zijn, verzoeker niet wederrechtelijk heeft gehandeld.
15. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2002 heeft de raadsman van verzoeker onder meer aangevoerd dat verzoeker eigenaar is van zijn medisch dossier en dat het AZC (waarin de Medische Opvang Asielzoekers, hierna: MOA, gevestigd is) dit slechts beheerde.
16. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen in een nadere bewijsoverweging:
"Het hof overweegt dat blijkens de Memorie van Antwoord (Tweede kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 561, nr. 6, blz. 46) bij de "Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de opneming van bepalingen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst" het eigendomsrecht van medisch dossiers bij de hulpverlener berust."
17. Volgens de toelichting op het middel is geen sprake van een behandelingsovereenkomst in de zin van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, opgenomen als art. 7:446 BW Pro e.v., zodat deze artikelen in het onderhavige geval toepassing missen.
18. Nu blijkens de Memorie van Antwoord bij de art. 7:446 BW Pro e.v. het eigendomsrecht van medisch dossiers bij de hulpverlener berust met wie de patiënt een behandelingsovereenkomst heeft gesloten, concentreren het verweer, de verwerping ervan en het middel zich logischerwijze op de betekenis van de begrippen 'behandelingsovereenkomst' en 'hulpverlener'. Zowel het hof als verzoeker gaat echter eraan voorbij dat ten aanzien van medische gegevens van asielzoekers een ander regime is geschapen. Op de overdracht van, toegang tot en inzage van medische gegevens van asielzoekers is namelijk het Reglement persoonsregistratie Overdracht Medische Gegevens (COSMOS) van toepassing.(1) Daarin staat niet de verhouding tussen patiënt en hulpverlener centraal, maar die tussen de asielzoeker aan de ene kant en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA)/het hoofd van de afdeling Medische Opvang binnen het COA aan de andere kant.
19. De persoonsregistratie Overdracht Medische Gegevens (hierna: COSMOS) houdt in dat medische en psychologische gegevens worden verzameld in het kader van de medische zorgverlening aan asielzoekers. De houder van COSMOS is het bestuur van het COA, het hoofd van de afdeling MOA is de beheerder ervan en de medewerkers van MOA en behandelend artsen zijn de gebruikers van COSMOS. Op grond van art. 9 van Pro het Reglement heeft de asielzoeker recht op inzage van zijn dossier (vgl. art. 7:456 BW Pro), in welk geval hij een schriftelijk verzoek moet indienen bij de beheerder. Voorts heeft de asielzoeker op grond van art. 6 van Pro het Reglement het recht te verzoeken om vernietiging van zijn dossier (vgl. art. 7:455 BW Pro, dat bepaalt dat de patiënt recht heeft op vernietiging van zijn dossier). Tot slot heeft de asielzoeker op grond van art. 12 van Pro het Reglement het recht om zijn medisch dossier te doen overdragen aan een andere houder.
20. Gelet op bovengenoemd Reglement en op de omstandigheid dat in geval van een patiënt, die een behandelingsovereenkomst sluit met een door hem aangezochte hulpverlener, de eigendom van het dossier niet bij de patiënt berust, moet worden aangenomen dat ook in geval van een asielzoeker de eigendom niet bij de asielzoeker zelf berust. Het hof heeft het verweer dan ook terecht verworpen, doch - naar ik meen - op een onjuiste grond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden, nu verzoeker hierdoor niet in zijn belang is geschaad.
21. Voor zover het middel betoogt dat de wederrechtelijkheid ontbreekt nu door een ander dan de hulpverlener aangifte is gedaan, faalt het, aangezien het een eis stelt die geen steun vindt in het recht.
22. De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO Pro. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Stcrt. 1996, nr. 227, p. 15.