ECLI:NL:PHR:2003:AF9425

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01483/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens termijnoverschrijding ondanks verwarring over dagvaarding

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor twee diefstallen. Op 14 juli 2000 ontving verdachte persoonlijk een dagvaarding voor een zitting van de kinderrechter op 15 september 2000, waarbij het woord 'minderjarige' met de hand was doorgestreept. Verdachte verscheen niet en werd bij verstek veroordeeld. Pas op 30 maart 2001 werd hoger beroep ingesteld, ruim na de wettelijke termijn van veertien dagen.

Het hof verklaarde verdachte toch ontvankelijk in hoger beroep vanwege de verwarring die was ontstaan door de onjuiste aanduiding in de dagvaarding. De advocaat-generaal betoogde dat dit onterecht was omdat de dagvaarding dag, tijd en plaats van de terechtzitting en de rechter duidelijk vermeldde, zodat verdachte zich had moeten informeren.

De Hoge Raad stelde dat de onderzoeksplicht van verdachte betekent dat hij zich moet vergewissen van het verloop van de zaak, ook als hij meent dat de dagvaarding nietig is. De verwarring over de term 'minderjarige verdachte' was onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Daarom verklaarde de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn ondanks verwarring over de dagvaarding.

Conclusie

Nr. 01483/02
Mr. Vellinga
Zitting: 20 mei 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam - de inleidende dagvaarding nietig verklaard.
2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat verdachte in zijn hoger beroep kon worden ontvangen, ondanks het tardief instellen daarvan.
4. De stukken van het geding houden in dat aan verdachte - die op [geboortedatum] 1952 is geboren - in persoon op 14 juli 2000 door een zogenaamde "politiehopper" een dagvaarding is uitgereikt teneinde op 15 september 2000 te 15.00 uur ter terechtzitting van de Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam terecht te staan op verdenking van een tweetal diefstallen. In de kop van deze dagvaarding staat vermeld "dagvaarding van een minderjarige verdachte". Daarbij is het adjectief "minderjarige" met de hand doorgestreept. Op 15 september 2000 is verdachte bij verstek veroordeeld door de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam terzake van beide feiten. Op 30 maart 2001 is namens verdachte hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
5. In zijn arrest heeft het Hof het volgende overwogen omtrent de ontvankelijkheid van verdachte in zijn hoger beroep:
"De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat de verdachte niet in zijn beroep zal worden ontvangen. De dagvaarding om op 15 september 2000 ter terechtzitting te verschijnen is hem op 14 juli 2000 in persoon uitgereikt. Vervolgens heeft de verdachte op de zitting van de politierechter verstek laten gaan. Tegen het diezelfde dag gewezen vonnis van de politierechter is namens de verdachte pas op 30 maart 2001 beroep ingesteld, dus met overschrijding van de in artikel 408, aanhef en eerste lid, onder a, gestelde termijn.
Het hof is van oordeel dat verdachte nochtans moet worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep en overweegt daartoe als volgt. Uit de tekst van de inleidende dagvaarding blijkt dat de verdachte is opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van de kinderrechter en voorts dat in de kop van de dagvaarding de aanduiding 'minderjarige verdachte' is geprint, terwijl het woord 'minderjarig' met de hand is doorgehaald. Aldus is aannemelijk geworden dat bij de verdachte verwarring is ontstaan - hij werd destijds niet door een raadsman bijgestaan - over inhoud en strekking van het hem uitgereikte gerechtelijk schrijven. Dit brengt in dit geval mee dat het termijnverzuim bij het aangewende rechtsmiddel kan worden gepasseerd.
Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen dat ondanks deze termijnoverschrijding de verdachte in zijn beroep ontvankelijk is."
6. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde.(1) Het in artikel 408 lid 1 aanhef Pro en onder a Sv vervatte voorschrift dat het hoger beroep van de verdachte door deze binnen veertien dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld, indien de dagvaarding hem in persoon is betekend, is ingegeven door de gedachte dat, indien de dagvaarding de verdachte in persoon is betekend, ervan moet worden uitgegaan dat hij op de hoogte is van de dag van de terechtzitting en van de rechter voor wie zijn verschijning wordt verlangd en dat op grond daarvan van hem mag worden gevergd dat hij zich van het verloop van de zaak vergewist. Gelet daarop moet bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep de in voormeld artikellid gestelde voorwaarde "indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend", vervuld worden geacht indien de desbetreffende dagvaarding in persoon is uitgereikt, als bedoeld in artikel 588 lid 1 Sv Pro en daarin voorts met voldoende duidelijkheid de dag van de terechtzitting en van de rechter voor wie verschijning wordt verlangd is vermeld. In geval de verdachte van oordeel is dat de dagvaarding, ofschoon deze een voldoende aanduiding van de dag der terechtzitting en van de rechter waarvoor verschijning wordt verlangd behelst, aan nietigheid lijdt, mag hij er derhalve niet op vertrouwen dat de rechter de dagvaarding ook inderdaad nietig zal verklaren en mag ook in dat geval van hem worden gevergd dat hij zich van het verloop van de zaak op de hoogte stelt.(2)
7. Hoewel, naar het Hof heeft vastgesteld, aannemelijk is geworden dat bij de verdachte verwarring is ontstaan over inhoud en strekking van de dagvaarding, geeft 's Hofs kennelijke oordeel dat in de dagvaarding met zo onvoldoende duidelijkheid is vermeld de dag van de terechtzitting en van de rechter voor wie verschijning wordt verlangd dat deswege de termijnoverschrijding door verdachte verontschuldigbaar was, in het licht van het hiervoor gestelde omtrent de onderzoeksplicht van de verdachte, blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd(3). In de dagvaarding worden immers dag, tijd en plaats van de terechtzitting en van het rechterlijk college vermeld, zodat verdachte de bij hem ontstane verwarring op eenvoudige wijze had kunnen opheffen door - hetzij bij het op de dagvaarding vermelde Arrondissementsparket, hetzij bij de in de dagvaarding met adres genoemde Arrondissementsrechtbank - te informeren bij welke rechter van de Arrondissementsrechtbank hij op genoemde tijd en plaats terecht zou moeten staan dan wel welke uitspraak de rechter op de door verdachte als verwarrend ervaren dagvaarding had gedaan. Dit klemt temeer nu de door het Hof genoemde doorhaling voor verdachte, mede gezien diens leeftijd, een aanwijzing moet zijn geweest dat de vermelding "kinderrechter" op een vergissing berustte en hij er dus van heeft moeten uitgaan dat hij werd gedagvaard ter terechtzitting van de Arrondissementsrechtbank, zitting houdende als politierechter of als meervoudige kamer.
8. Het middel slaagt.
9. De Hoge Raad kan om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen en verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
10. Deze conclusie strekt ertoe verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 10 september 1996, NJ 1997, 10.
2 Zie HR 29 juni 1993, NJ 1994, 68 m.nt. ThWvV. Weliswaar ging het in die zaak om art. 408 lid 1 aanhef Pro en onder a Sv zoals dat luidde voor de inwerkingtreding op 1 mei 1992 van de Wet van 27 november 1991, Stb. 663, maar zulks is voor de onderhavige zaak niet van belang, omdat in de tekst van het huidige art. 408 lid 1 aanhef Pro en onder a Sv nog steeds de voorwaarde "indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend" is opgenomen.
3 Zie HR 25 januari 2000, LJN ZD1688, waarin het Amsterdamse Hof oordeelde dat een zelfde verschrijving als in het onderhavige geval niet tot nietigheid van de dagvaarding leidde, een oordeel dat door de Hoge Raad in stand werd gelaten.