ECLI:NL:PHR:2003:AF9444
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst als vorm van alimentatie zonder feitelijke arbeidsprestatie
In deze zaak stond centraal of een schriftelijke overeenkomst, aangeduid als arbeidsovereenkomst tussen eiseres en verweerster, daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst was, terwijl verweerster nooit feitelijke werkzaamheden heeft verricht en vanaf het begin was vrijgesteld van arbeid. De overeenkomst was gesloten als alternatief voor alimentatiebetalingen na een echtscheiding.
De kantonrechter en het gerechtshof hadden de vordering van verweerster tot betaling van salaris toegewezen, waarbij het hof oordeelde dat de overeenkomst alle dwingendrechtelijke bestanddelen van een arbeidsovereenkomst bevatte, inclusief een gezagsverhouding, ondanks het ontbreken van feitelijke arbeidsprestaties.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof te veel gewicht had toegekend aan de schriftelijke tekst en onvoldoende rekening had gehouden met de feitelijke omstandigheden, zoals het ontbreken van arbeid en gezagsverhouding. De overeenkomst moest daarom worden gekwalificeerd als een overeenkomst sui generis en niet als een arbeidsovereenkomst.
De Hoge Raad vernietigde het deel van het arrest waarin de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro was toegewezen, omdat die bepaling niet van toepassing is op een niet-arbeidsovereenkomst. De overige beslissingen van het hof werden bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is en wijst de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW af.