ECLI:NL:PHR:2003:AF9446

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/145HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1624 BWArt. 7A:1631 BWArt. 7A:1631a lid 2 onder 2º BWArt. 179 RvArt. 152 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsaanbod bij opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens dringend eigen gebruik

In deze zaak gaat het om de beëindiging van een huurovereenkomst van een café-restaurant en pension op grond van dringend eigen gebruik door de verhuurder. De verhuurder had de huurovereenkomst opgezegd omdat hij het pand met zijn gezin wilde betrekken en exploiteren als pension, vanwege onvoldoende opbrengst van zijn café en ongeschikte woonruimte.

De huurder betwistte de opzegging en bood bewijs aan om te onderbouwen dat de verhuurder niet serieus voornemens was het pand zelf te gebruiken, onder meer door getuigen te noemen. De rechtbank Alkmaar wees dit bewijsaanbod af omdat het volgens haar slechts gebaseerd was op horen zeggen en onvoldoende relevant was.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het bewijsaanbod heeft gepasseerd. Het bewijsaanbod was relevant voor de beoordeling van het voornemen van de verhuurder en het is toegestaan dat getuigen verklaringen afleggen over wat zij van anderen hebben gehoord. Verder mag de rechter eerdere uitlatingen en gedragingen van de verhuurder meewegen bij de beoordeling van diens voornemen.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank Alkmaar wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

Conclusie

Rolnr. C02/145HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 23 mei 2003
conclusie inzake
1. [Eiseres 1] h.o.d.n. De Koperen Lantaarn
2. [Eiseres 2]
3. [Eiser 3]
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. In dit geschil betreffende de beëindiging van de huur en verhuur van een bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7A:1624 BW gaat het in cassatie om de vraag of de Rechtbank een bewijsaanbod van de huurders heeft mogen passeren.
2. Voor zover in cassatie van belang komen de feiten op het volgende neer (zie r.o. 1 van het bestreden vonnis).
(i) Thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], heeft bij schriftelijke huurovereenkomst van 5 november 1991 met ingang van 1 december 1989 aan thans eisers tot cassatie, hierna: [eiser], verhuurd het café-restaurant en pension aan de [adres] te [plaats], zulks voor de aanvangshuurprijs van f 30.000,- per jaar, te voldoen in gelijke maandelijkse termijnen van f 2.500,- en te indexeren met ingang van 1 december 1992.
(ii) De bepalingen van art. 7A:1624 e.v. BW zijn op de huurovereenkomst van toepassing.
(iii) [Verweerder] heeft bij aangetekende brief van 23 november 1998 en overigens met inachtneming van art. 7A:1631 BW de huurovereenkomst tegen 1 december 1999 aan [eiser] opgezegd op (onder meer) de grond dat hij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.
(iv) [Eiser] heeft bij brief van zijn raadsman d.d. 7 december 1998 aan [verweerder] bericht niet in te stemmen met de beëindiging van de huurovereenkomst.
3. Bij exploit van 4 oktober 1999 heeft [verweerder] [eiser] gedagvaard voor de Kantonrechter te Alkmaar en gevorderd - kort gezegd - vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en van het tijdstip van ontruiming van het verhuurde, zulks op de grond dat hij het verhuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.
4. Nadat [eiser] de vordering had weersproken (en een reconventionele vordering tot schadevergoeding had ingesteld), heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 20 december 2000 de conventionele vordering van [verweerder] op grond van het bepaalde in art. 7A:1631a lid 2 onder 2º BW (dringende behoefte voor eigen gebruik) toewijsbaar geoordeeld. Naar het oordeel van de Kantonrechter heeft [verweerder] aannemelijk gemaakt dat hij met zijn gezin in het gehuurde wenst te gaan wonen en het pand als pension wil gaan exploiteren, met name vanwege de omstandigheid dat de exploitatie van zijn café te Alkmaar voor hem niet voldoende opbrengt om in zijn oude dag te voorzien en zijn huidige woning te klein en ongeschikt is om daar op zijn leeftijd nog langer te wonen. Onder aanhouding van iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie heeft de Kantonrechter in reconventie een comparitie van partijen gelast.
5. [Eiser] is van het vonnis van de Kantonrechter in hoger beroep gegaan bij de Rechtbank te Alkmaar. Hij voerde vier grieven aan waarmee hij onder meer opkwam tegen het oordeel van de Kantonrechter dat [verweerder] aannemelijk heeft gemaakt dat hij het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen als bedrijfsruimte en dat hij het verhuurde daartoe dringend nodig heeft. Hij stelde onder meer (memorie van grieven, blz. 3):
"De opzegging in casu is slechts een opzegging "pour besoin de la cause". [verweerder] is op geen enkele wijze (serieus) van plan het pand c.q. de onderneming ter plaatse te gaan exploiteren. [Verweerder] vertelt aan eenieder die dit maar wil horen, dat hij zodra [eiser] het pand heeft verlaten het pand laat omstoten om ter plaatse een nieuw groot hotel te bouwen.
[Eiser] biedt dan ook aan [verweerder] en een aantal anderen als getuige ter zake te laten horen."
[Eiser] heeft vijf personen met name genoemd, onder wie [verweerder] en zijn echtgenote, die als getuigen kunnen worden gehoord (memorie van grieven, blz. 4).
6. [Verweerder] heeft ontkend dat de opzegging een opzegging "pour besoin de la cause" is en heeft gesteld dat hij wel degelijk van plan is in het pand te gaan wonen en een onderneming te gaan exploiteren en dat hij daarvoor reeds een architect in de arm heeft genomen om schetsplannen te maken om in het gehuurde een pension c.q. een hotel te exploiteren (memorie van antwoord, onder 20).
7. In haar vonnis van 15 november 2001 is de Rechtbank aan het bewijsaanbod van [eiser] voorbijgegaan. Zij overwoog daartoe (r.o. 7):
"Nu [eiser] zijn stellingen met betrekking tot de vermeende toekomstplannen van [verweerder] slechts baseert op gegevens van horen zeggen door derden, moet [eiser]' bewijsaanbod te dezer zake als onvoldoende relevant worden gepasseerd."
Vervolgens oordeelde de Rechtbank dat [verweerder] aannemelijk heeft gemaakt dat hij het verhuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik als bedrijfsruimte en dat de grieven van [eiser] tegen het oordeel van de Kantonrechter dienaangaande falen. De Rechtbank heeft, behoudens op een punt dat thans in cassatie niet aan de orde is, het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.
8. [Eiser] is tegen het vonnis van de Rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met één middel dat door [verweerder] is bestreden met conclusie tot verwerping.
9. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de beslissing van de Rechtbank - in r.o. 7 - om voorbij te gaan aan het genoemde bewijsaanbod van [eiser]. Primair klaagt het middel dat de grond waarop de Rechtbank haar beslissing heeft doen steunen onjuist, althans onbegrijpelijk is, aangezien - kort gezegd - het te leveren bewijs relevant is voor het lot van de vordering van [verweerder] en informatie van derden een normaal bewijsmiddel is. Subsidiair klaagt het middel dat de Rechtbank zich heeft schuldig gemaakt aan een verboden prognose omtrent het resultaat van het aangeboden getuigenbewijs.
10. De primaire klacht is gegrond. Nog daargelaten dat in ieder geval de door [verweerder] en zijn echtgenote als getuigen af te leggen verklaringen niet kunnen worden aangemerkt als verklaringen van horen zeggen, heeft de Rechtbank miskend dat, gelet op het in art. 179 (oud) Rv, thans art. 152 Rv Pro, neergelegde systeem van vrije bewijswaardering door de rechter, het de rechter niet verboden is bewijs te putten uit wat een getuige anderen heeft horen zeggen. Vgl. Pitlo/Hidma & Rutgers, Bewijs, 1995, blz. 103.
11. In de namens [verweerder] gegeven schriftelijke toelichting wordt betoogd dat het bewijsaanbod van [eiser] niet ter zake dienend is, omdat slechts beslissend is de wil van [verweerder] tot eigen gebruik in de zin van art. 7A:1631a BW ten tijde van de bestreden beslissing, ongeacht eerder geuite andere voornemens (schriftelijke toelichting onder 3.9).
12. Dit betoog faalt m.i. Weliswaar is juist dat bij de beoordeling van de vraag of aannemelijk is dat de verhuurder het verhuurde persoonlijk als art. 7A:1624 BW-bedrijfsruimte in duurzaam gebruik wil nemen, beslissend is of dat voornemen ten tijde van de beslissing van de rechter aanwezig is (vgl. HR 14 juni 1974, NJ 1974, 428), maar dat sluit niet uit dat bij de beoordeling van de vraag of dat voornemen ten tijde van de beslissing ook daadwerkelijk bij de verhuurder aanwezig is, door de rechter acht mag worden geslagen op eerdere uitlatingen en gedragingen van de verhuurder.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van de Rechtbank te Alkmaar en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam te verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,