AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM bij overtreding Opiumwet met hoeveelheid boven transactiegrens
In deze strafzaak werd verdachte veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem wegens het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 56,5 gram hennep, een middel vermeld op lijst II van de Opiumwet. Verdachte stelde in cassatie dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was omdat hem een transactie had moeten worden aangeboden volgens de richtlijnen.
De Hoge Raad oordeelde dat de richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake de Opiumwet niet van toepassing zijn wanneer verdachte niet alleen van een drugsdelict maar ook van andere strafbare feiten wordt verdacht. Hierdoor kon verdachte niet het vertrouwen ontlenen dat hij niet vervolgd zou worden of een transactie zou krijgen.
Daarnaast overwoog de Hoge Raad dat de aangetroffen hoeveelheid hennep ruim boven de transactiegrens van 30 gram lag, waardoor het OM niet verplicht was een transactievoorstel te doen. Het hof had het verweer van verdachte terecht verworpen en het cassatiemiddel faalde. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de ontvankelijkheid van het OM en de veroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de ontvankelijkheid van het OM en verwierp het cassatieberoep tegen de veroordeling wegens het aanwezig hebben van hennep boven de transactiegrens.
Conclusie
Nr. 01925/02
Mr. Vellinga
Zitting: 20 mei 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een geldboete van € 225, -, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis, waarvan € 125,-, subsidiair twee dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging omdat het Openbaar Ministerie een transactievoorstel had moeten doen.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezen verklaard dat:
"hij op 29 februari 2000 in de gemeente Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad een aantal toppen van hennepplanten, in totaal een hoeveelheid van (ongeveer) 56 1/2 gram, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."
5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar aangevoerd:
"Het OM dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat men client een transactie had dienen aan te bieden. Ik verwijs wat dit betreft naar de richtlijnen van het OM in dit soort zaken. Ik wijs in dit verband ook naar een arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2000, gepubliceerd in de NJ 2000, nummer 557."
6. Blijkens zijn arrest heeft het Hof dit verweer als volgt verworpen:
"Het onder 2 telastegelegde feit - overtreding van artikel 3 onderPro C van de Opiumwet - is cumulatief telastegelegd met overtreding van artikel 317 subsidiairProartikel 312 vanPro het Wetboek van Strafrecht. In dit kader was het aan verdachte aanbieden van een transactie met betrekking tot feit 2 niet vereist."
7. Volgens tenlastelegging en bewezenverklaring is het opzettelijk voorhanden hebben van hennep gepleegd op 29 februari 2000. Op 15 mei 2000 is de inleidende dagvaarding ondertekend en aan verdachte in persoon uitgereikt. Derhalve zijn in de onderhavige zaak van toepassing de Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet (oud), die op 1 oktober 1996 in werking traden (Stcrt. 1996, 187).
8. Het Hof heeft deze Richtlijnen aldus verstaan dat deze niet betrekking hebben op gevallen, waarin iemand niet alleen wordt verdacht van een drugsdelict maar ook van andere delicten, en dat verdachte - naar het Hof kennelijk heeft geoordeeld - derhalve aan die Richtlijnen niet het vertrouwen kon ontlenen, dat hij ter zake van het bewezenverklaarde feit niet zou worden vervolgd dan wel dat hem daarvoor een transactie zou worden aangeboden.
9. Voor de vraag of tot vervolging moet worden overgegaan ter zake van een drugsdelict als het onderhavige kan van belang zijn of verdachte zich in de periode waarin hij het drugsdelict heeft begaan nog andersoortige strafbare feiten heeft gepleegd. Het kan aangeven dat het drugsdelict niet een incident is maar een uiting van verdachtes ook uit andere feiten blijkende criminele handel en wandel, welke reden kan zijn forser op te treden dan in gevallen waarin geen verdenking van andere feiten bestaat. Genoemde Richtlijnen geven niet aan hoe dient te worden gehandeld indien iemand niet alleen van een drugsdelict maar ook van andere strafbare feiten wordt verdacht. Daarom valt niet in te zien waarom verdachte aan die Richtlijnen het vertrouwen kon ontlenen dat hij ter zake van het bewezenverklaarde feit niet vervolgd zou worden dan wel dat hem daarvoor een transactie zou worden aangeboden. Het oordeel van het Hof geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(1)
10. Ook al zouden de Richtlijnen wel van toepassing zijn op genoemde gevallen, dan helpt dit verdachte overigens niet verder.
11. Paragraaf 5 van deze Richtlijnen , getiteld "Richtlijnen voor strafbare feiten met betrekking tot een hoeveelheid minder dan 30 gram van de middelen vermeld op lijst II onderdeel b", vermeldt voor zover hier van belang:
"Artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet verbiedt het aanwezig hebben van de middelen vermeld op lijst II;
(...)
Opsporing: geen gerichte opsporing.
Vervolging: transactie van minimaal f 50,-
Strafeis: zie bijlage B."
12. Bijlage B bij deze Richtlijnen heeft betrekking op de middelen vermeld op lijst II bij de Opiumwet (soft drugs). Ingevolge paragraaf I, onder c van deze Bijlage geldt als uitgangspunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van soft drugs:
"c. van 30 gram tot 1 kilo: f 5,- tot f 10,- per gram (evt. transactie)
(...)
Ad c (...): Gelet op de hoeveelheden wordt uitgegaan van dealen. Bij recidive binnen vijf jaar kan voorzover het maximum nog niet is bereikt de eis met 1/4 worden verhoogd."
13. Uit het voorgaande volgt dat het Openbaar Ministerie niet gehouden was een transactievoorstel te doen, nu de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid hennep ongeveer 56 1/2 gram bedroeg en derhalve ruimschoots uitsteeg boven de als uitgangspunt genomen "transactiegrens" van 30 gram. Ook daaruit volgt dat 's Hofs verwerping van het verweer geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.
14. Het middel faalt.
15. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 81 ROPro bedoelde motivering.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Ik wijs ter zijde op HR 4 maart 2003, 00292/02 P, waarin de Hoge Raad toelaatbaar achtte dat voordeel werd ontnomen ter zake van drugsdelicten die binnen het gedoogbeleid vielen omdat de veroordeelde zich ook aan andere drugsdelicten schuldig had gemaakt.