ECLI:NL:PHR:2003:AF9470

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02457/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid intern bankonderzoek en bewijsgebruik in fraudezaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte is veroordeeld voor meervoudige valsheid in geschrift en diefstal van obligaties uit bankkluizen.

De Hoge Raad oordeelt dat het interne onderzoek dat de ING-bank voerde, ook na het besluit in 1995 om geen aangifte te doen, niet onrechtmatig was. De bank had een gerechtvaardigd belang bij voortzetting van het onderzoek vanwege blijvende verdenkingen van fraude. Ook het gebruik van de door de bank verzamelde gegevens door de politie is niet onrechtmatig, en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Verder wordt het bewijs dat het hof gebruikte, waaronder verklaringen van betrokkenen, proces-verbalen en vondsten van obligaties in de kluis van verdachte, als voldoende betrouwbaar en samenhangend beoordeeld. De lezing van verdachte dat hij de obligaties als schenking had ontvangen wordt verworpen als ongeloofwaardig. Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte voor valsheid in geschrift en diefstal blijft in stand.

Conclusie

Nr. 02457/02
Mr. Vellinga
Zitting: 20 mei 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's Gravenhage wegens (2) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en (3) diefstal, meermalen gepleegd, veroordeeld tot zesendertig maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 02457/02 en 02470/02 P. In deze beide zaken zal ik vandaag concluderen.
4. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en (subsidiair) tot bewijsuitsluiting van de resultaten van het door de ING Bank verrichte onderzoek, althans dat het Hof zijn beslissing op dit verweer onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.
5. Het Hof heeft een namens verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
"4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en rechtmatigheid van de bewijsgaring
Namens de verdachte is aangevoerd, dat door de handelwijze van de ING Bank en de politie het recht van de verdachte op een eerlijk proces op grove wijze is veronachtzaamd, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, althans dat de resultaten van het onderzoek, al dan niet gedeeltelijk, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. De raadsman heeft in dit verband gesteld - kort en zakelijk weergegeven - dat de ING, in het bijzonder in de persoon van [betrokkene 1], medewerker van de bedrijfsrecherche van die bank, gedurende een periode van ongeveer drie jaar na een beslissing van die bank om geen aangifte te doen tegen verdachte met betrekking tot het thans onder 1 tenlastegelegde feit, "de handel en wandel" van verdachte, een werknemer van de bank, is nagegaan, hetgeen als onrechtmatig optreden van de ING jegens verdachte moet worden aangemerkt. Dit onrechtmatig optreden van de bank is, aldus de raadsman, na de aangifte - terzake van feit 1 - op 21 december 1998 overgegaan in onrechtmatig handelen van de politie Zeeland, omdat de verbalisant D.J. Zwartepoorte het opsporingsonderzoek in belangrijke, zo niet overwegende mate liet uitvoeren en zelfs regisseren door voornoemde [betrokkene 1]. Een en ander zoals nader toegelicht in de pleitaantekeningen van de raadsman.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende.
A. Aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1], medewerker recherche van de ING, in opdracht van deze bank het interne onderzoek tegen de verdachte heeft voortgezet nadat eind 1995 door de bank besloten was geen aangifte tegen verdachte te doen. [Betrokkene 1] heeft, na daartoe verkregen machtiging van de verdachte, onderzoek naar rekeningen en kluizen van de verdachte bij andere banken ingesteld. Voorts heeft hij periodiek - halfjaarlijks - rekeningen van de verdachte bij de ING aan nader onderzoek onderworpen. Bovendien is [betrokkene 1] blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring enkele malen langs het huis van verdachte gereden - zonder daarbij overigens enige actie te ondernemen - en heeft hij gegevens met betrekking tot verdachte's "handel en wandel" ontleend aan gesprekken met andere medewerkers van de bank. De door [betrokkene 1] aldus verkregen gegevens omtrent verdachte's financiële situatie hebben, naast de gegevens die al voor eind 1995 voorhanden waren, uiteindelijk geleid tot de aangifte - ultimo 1998 - terzake van feit 1.
Vorenomschreven handelen van de ING jegens verdachte dient naar het oordeel van het hof niet als onrechtmatig te worden aangemerkt. Bij de bank bleef, ook na het besluit tot het niet doen van aangifte - mede genomen op grond van onvoldoende bewijsbaarheid -, verdenking bestaan dat verdachte door frauduleus handelen een cliënte van de bank enige honderdduizenden guldens afhandig had gemaakt. Die verdenking rechtvaardigde het voortgaan van het intern onderzoek, als hierboven omschreven. Niet is gesteld, noch is aannemelijk geworden dat de ING op enige wijze interne regels heeft overtreden, terwijl hetzelfde geldt ten aanzien van bijzondere omstandigheden, die tot de conclusie zouden dienen te leiden dat door de ING de persoonlijke levenssfeer van de verdachte op ontoelaatbare wijze is geschonden. Het hof merkt daarbij nog op dat de verdachte er van op de hoogte was, getuige voormelde machtiging, dat de verdenking jegens hem niet geweken was en het onderzoek werd voortgezet. De verdachte heeft kunnen beseffen dat hij, niettegenstaande zijn promotie naar een ander kantoor van de bank, voorwerp van bijzondere aandacht van de zijde van zijn werkgever bleef.
Naar het oordeel van het hof bestond er voorts rechtens geen verplichting voor de bank om naar aanleiding van een gerezen verdenking, in de loop van 1995, aangifte te doen. De omstandigheid dat de benadeelde door het uitblijven van een aangifte uiteindelijk, ten gevolge van haar overlijden, niet door de politie en de verdediging ondervraagd kan worden kan ook niet aan de bank verweten worden.
Voorzover al geoordeeld zou moeten worden - anders dan het hof -, dat het handelen van de ING jegens de verdachte in bedoelde periode wel onrechtmatig was, dan zou die onrechtmatigheid naar het oordeel van het hof in casu niet zodanige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of veronachtzaming van de rechten van de verdediging in de strafzaak tot gevolg hebben, dat zulks zou dienen te leiden tot uitsluiting van bewijsmateriaal, in het bijzonder gelet ook op de omstandigheid dat het betreffende feit eerst op de datum van aangifte onder de aandacht van de politie werd gebracht.
B. Met betrekking tot het onderzoek van de verbalisant en de ING, in het bijzonder in de persoon van [betrokkene 1], na de aangifte van 21 december 1998 en de daarop gevolgde, eerste, aanhouding van de verdachte op 5 maart 1999 is het volgende aannemelijk geworden.
Door Zwartepoorte (de verbalisant; WHV) is enige dagen na 5 maart 1999 aan voornoemde [betrokkene 1] de vraag gesteld of door de verdachte ooit coupons behorend bij een bepaalde obligatielening waren verzilverd bij de ING te Sas van Gent, alwaar verdachte al geruime tijd werkzaam was. Bij onderzoek door de bank bleek dat die obligaties, en na nadere analyse van verscheidene beleggingsportefeuilles, met andere geregistreerd stonden op naam van bepaalde cliënten van dat bankkantoor. Die klanten werden vervolgens door de bank benaderd en dit leidde tot het vermoeden van meerdere frauduleuze handelwijzen door verdachte. Ook een door voornoemde Zwartepoorte aan [betrokkene 1] verstrekte fotokopie van de inventaris van in een kluis van verdachte aangetroffen waardepapieren en een met behulp daarvan door de bank ingesteld onderzoek gaf aanleiding tot een vervolgaangifte door [betrokkene 1] op 24 maart 1999.
Niet aannemelijk is geworden dat het opsporingsonderzoek na 5 maart 1999 door [betrokkene 1], dan wel de ING is geregisseerd. Aannemelijk is wel geworden dat een aanmerkelijk deel van het feitelijk onderzoek bij de bank door de bank zelf is uitgevoerd, van welk onderzoek de resultaten merendeels zijn weergegeven in de vervolgaangifte van [betrokkene 1] van 24 maart 1999. Dat de bank dat onderzoek desgevraagd startte en gaandeweg uitbreidde kan naar het oordeel van het hof bezwaarlijk als onrechtmatig jegens verdachte worden aangemerkt, nu de bank als geen andere instantie tot een dergelijk onderzoek in staat moest worden geacht, al was het maar omdat het over alle benodigde gegevens beschikte.
De bank is bovendien gehouden tot en als eerste belanghebbende bij het bewaken van de integriteit binnen de "eigen gelederen". De omstandigheid dat Zwartepoorte met een gerichte vraag de aanzet gaf oordeelt het hof in dat verband evenmin onrechtmatig. Geen rechtsregel verbood hem, met het oog op nader onderzoek, die vraag aan de bank te stellen en voormelde kluisinventaris aan de bank te verstrekken. Ook de omstandigheid dat de bank bepaalde rekeninghouders vragen stelde omtrent het bezit van bepaalde waardepapieren verdient niet het predikaat onrechtmatig op grond van de enkele omstandigheid dat de verbalisant Zwartepoorte enkele van hen eerst nadien hoorde. Evenmin rechtvaardigt de omstandigheid dat de politie belangrijke onderzoeksresultaten door de bank kreeg aangeleverd, de conclusie dat de politie, en daarmee het openbaar ministerie onrechtmatig jegens verdachte heeft gehandeld, dan wel welbewust en doelgericht gebruik heeft gemaakt van enig onrechtmatig optreden van de bank. Niet aannemelijk is geworden dat de ING, dan wel haar medewerker [betrokkene 1], op enige wijze het opsporingsonderzoek van de politie heeft belemmerd of anderszins daaraan schade heeft toegebracht, zo min als de rechten van de verdachte op een eerlijk proces hierdoor zijn tekortgedaan. Ook de omstandigheid dat ING in contact is getreden en gesprekken heeft gevoerd met een zekere [betrokkene 2], omtrent wie de ING ook zekere vermoedens had van mogelijke betrokkenheid bij een verdachte aankoop dan wel bezit van bepaalde waardepapieren kan niet als onrechtmatig worden aangemerkt op grond van de enkele omstandigheid dat die [betrokkene 2] het optreden van ING later als intimiderend bestempelde.
C. Het vorenoverwogene kan naar het oordeel van het hof evenmin tot de conclusie leiden dat sprake dient te zijn van strafvermindering op grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, evenmin als de door de raadsman in dat kader gestelde omstandigheid dat de ING, door het aanvankelijk, in 1995, niet doen van aangifte, in belangrijke mate de omstandigheden zou hebben gecreëerd voor de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Nog daargelaten dat het niet doen van aangifte in 1995 niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, kan verder gesteld worden dat de verdachte, reeds in de loop van 1995 op de hoogte van mogelijke bezwaren ten aanzien van zijn handelen terzake van feit 1, zich daardoor kennelijk niet heeft laten weerhouden van ander - hierna bewezen te verklaren - frauduleus handelen."
6. Aan het middel ligt de stelling ten grondslag dat de politie door na de eerste aangifte van de bank aan deze te laten zien welke stukken de politie in de kluis van verdachte had gevonden en vervolgens aan de bank heeft overgelaten na te gaan of deze stukken buiten de rechthebbende(n) om uit een safeloket van de rechthebbende(n) bij de bank waren verdwenen, ten onrechte (bedoelt de steller van het middel hier: in strijd met art. 1 Sv Pro?) het opsporen van strafbare feiten aan de bank heeft overgelaten.(1) Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Worden naar aanleiding van een aangifte bij een verdachte goederen gevonden, die in de aangifte niet als vermist zijn opgegeven maar wel de vraag oproepen of deze goederen door aangever door misdrijf zijn ontnomen, dan verzet geen enkel wettelijk voorschrift zich er tegen dat de politie de aangever met dat gegeven confronteert en deze vraagt na te gaan of die goederen ook vermist worden. Dat wordt niet anders wanneer de aangever een bank is die door haar functionarissen zal moeten laten uitzoeken of die goederen vermist worden ook al zullen deze functionarissen zich daarbij wel moeten richten tot cliënten met de vraag of de inhoud van het safeloket, dat zij bij de bank houden, nog wel compleet is.
7. In 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel ligt besloten dat het Hof de handelwijze van (medewerkers van) de ING-bank na 5 maart 1999 niet onrechtmatig heeft geoordeeld, in het bijzonder niet jegens verdachte, en de handelwijze van de politie - zowel ten aanzien van verdachte als in de relatie tot de ING-bank - al evenmin. In het licht van hetgeen ik in nr. 6 schreef alsmede in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten - welke vaststelling mede in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk is en in cassatie niet verder ten toets kan komen - getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het behoeft evenmin nadere motivering. Naar het Hof immers heeft vastgesteld heeft verdachte aanvankelijk zelf aan de bedrijfsrechercheur [betrokkene 1] van de ING een machtiging verleend om nader onderzoek met betrekking tot verdachte te verrichten terwijl naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk is geworden dat het opsporingsonderzoek na 5 maart 1999 door [betrokkene 1] of de ING is geregisseerd.
8. Het middel faalt.
9. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit - voor zover dat betrekking heeft op de obligaties Communaute Urbaine de Montreal met de nummers 1689 tot en met 1696 en nummer 757 alsmede de obligaties 0% Otto International Finance NV met de nummers 01402 tot en met 01415 - niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring in zoverre niet met redenen is omkleed.
10. Het Hof heeft, voor zover thans van belang, ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 januari 1996 tot en met 23 maart 1999, in de gemeente Sas van Gent, meermalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen obligaties, te weten (in totaal)
1) een aantal obligaties, (Republic) Irland, waaronder de nummers 07227 t/m 07240 en 07251 t/m 07255 en
2) een aantal obligaties, Communaute Urbaine de Montreal, waaronder de nummers 21249, 21250 en 21251 en de nummers 1689 t/m 1696, en nummer 757, en
3) een aantal obligaties, Province de Quebec, waaronder de nummers 15457, 15458 en 15459 en
4) een aantal obligaties, zero The Mortgage Bank of Denmark,
waaronder de nummers 036885 en 036887 en
5) een aantal obligaties, zero Rabobank Nederland, waaronder de nummers 023319 t/m 023326 en 023329 t/m 023334 en
6) een aantal obligaties, in elk geval waardepapieren, IKB/Deutsche Industrie Bank, waaronder de nummers 003509 t/m 003533 en 003459 t/m 003483, en
7) een aantal obligaties, 0% Otto International Finance N.V.,
waaronder de nummers 01402 t/m 01415, en
telkens toebehorende aan [betrokkene 5] of wijlen [betrokkene 7], en/of [betrokkene 4]."
11. Vooropgesteld dient te worden dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden (zie o.a. HR 17 sept. 2000, 02308/01, AE6118, rov. 4.3).
12. Voor het bewijs van het onder 3 bewezenverklaarde heeft het Hof onder meer gebruik gemaakt van de volgende bewijsmiddelen:
- 1a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, onder meer inhoudende:
"Ik ben met de waardepapieren van [betrokkene 5] de kluisruimte uitgelopen. Op een gegeven moment ben ik er mee naar buiten gelopen, net als met de stukken van [betrokkene 7]."
- 8. een proces-verbaal, inhoudende een aanvullende verklaring van [betrokkene 1], die aangifte deed, luidende:
"Door [betrokkene 6] werd ik gevraagd een nader onderzoek in te stellen naar obligaties die zij vermist. Het betreft de obligaties City of Montreal 6,75%, nummers 1689 t/m 1696 en 757. Volgens [betrokkene 6] behoorden deze obligaties in de kluis aanwezig te zijn die zij huurt bij de ING-bank te Sas van Gent. Deze obligaties bevonden zich echter niet meer in de kluis toen zij de inhoud van de kluis inventariseerde op 26 februari 1999."
- 9. een proces-verbaal, inhoudende een aanvullend afgelegde verklaring van [betrokkene 1], luidende:
"Bij een inventarisatie van de waardepapieren in haar kluis die zij huurt bij de ING-Bank constateerde [betrokkene 5] dat zij nog meer obligaties mist. Het gaat om zogenaamde zero bonds, te weten 0% OTTO International Finance NV. De vermiste obligaties dragen de stuknummers 01402 t/m 01415. Het weggenomene behoort een cliënt van de ING-Bank geheel in eigendom toe."
- 10a. een proces-verbaal, inhoudende de verklaring van [betrokkene 4], die aangifte deed, luidende:
"Ik doe aangifte van diefstal van waardepapieren welke mijn eigendom zijn. Mijn man en ik waren in het bezit van obligaties van onder andere de volgende fondsen:
1- Province Quebec
2- Communauté Urbaine de Montreal
3- Republic Irland
4- Mortgage Bank Denmark
5- City of Montreal
Bij een van onze bezoeken aan de bank bemerkten mijn man en ik dat voornoemde stukken niet meer in onze kluis aanwezig waren. Deze stukken zijn na aankoop nimmer uit de ING-Bank te Sas van Gent geweest. De stukken lagen altijd in de kluis. Als wij bij de ING-Bank kwamen werden wij nagenoeg altijd door [verdachte] geholpen. Wij hebben nimmer een schenking gedaan aan [verdachte] of wie dan ook van de bank. De stukken waren al kwijt sedert de zomer van 1996."
- 10b. een geschrift, zijnde een goederenbijlage, als bijlage gevoegd bij het hiervoor genoemde proces-verbaal, inhoudende:
"COM. U. D. MONTREAL waarde67.500, -
REP. IRLAND waarde107.000,-
PROV. QUEBEC waarde56.000,-
MORTGAGE B.IRL. waarde37.000,-
CITY OF MONTREAL waarde25.000,-"
- 11a. een proces-verbaal van aangifte, inhoudende een verklaring van [betrokkene 5], luidende voor zover thans van belang:
"Als ik in mijn kluis wilde werd ik meestal geholpen door [verdachte]. [Verdachte] liep dan met mij mee naar de kluis en ik gaf mijn sleutel af aan [verdachte]. (...) Ik heb [verdachte] nimmer een schenking of een gift gedaan."
- 12. de verklaring van getuige [betrokkene 8], luidende:
"Er mag één cliënt tegelijk in de kluisruimte. Dat brengt mee dat de kluis van die cliënt niet behoeft te worden afgesloten zolang de cliënt zich daar bevindt. De medewerker die de cliënt begeleidt, kan dan ook bij die kluis. [Verdachte] ging ook wel eens met een cliënt mee naar de kluisruimte. Dat was dan een vaste klant. [Betrokkene 5] en [betrokkene 7] waren vaste klanten van [verdachte]. [Betrokkene 5] heeft mij verteld dat ze zoveel vertrouwen in [verdachte] had, dat ze haar sleutel ook aan hem gaf en dat ze dan zelf vast in een spreekkamertje ging zitten. [Verdachte] was dan alleen met beide sleutels, zowel die van de cliënt als die van de bank, in de kluisruimte."
13. Anders dan het middel wil blijkt uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen niet alleen dat aan een medewerker van de bank is medegedeeld dat de in het middel aangeduide obligaties vermist zijn, maar ook dat verdachte met waardepieren uit de kluisruimte naar buiten is gelopen. Voorts blijkt uit andere bewijsmiddelen dat een deel van de uit kluizen in de kluisruimte van de bank afkomstige stukken in verdachtes kluis zijn aangetroffen, terwijl de daarvoor door hem gegeven verklaring - schenking - in strijd is met de gebezigde bewijsmiddelen. In het licht van de bewijsmiddelen, bezien in onderlinge samenhang, is daarom 's Hofs oordeel dat verdachte de in het middel aangeduide obligaties heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening niet onbegrijpelijk. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering en kan vanwege zijn feitelijk karakter in cassatie niet verder ten toets komen.
14. Het middel faalt.
15. Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit - voor zover de bewezenverklaring betrekking heeft op obligaties die aan wijlen [betrokkene 7] en zijn echtgenote hebben toebehoord - niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring in zoverre niet met redenen is omkleed en/of dat de nadere bewijsoverwegingen die het Hof aan de bewezenverklaring van het onder 3 bewezenverklaarde feit heeft gewijd onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend zijn.
16. Voor het bewijs van het onder 3 bewezenverklaarde heeft het Hof onder meer gebruik gemaakt van de volgende bewijsmiddelen:
- de bewijsmiddelen 1a, 8, 10a, 10b, 11a en 12 zoals hiervoor weergegeven;
- 7. een proces-verbaal, inhoudende een verklaring van [betrokkene 1], die aangifte deed, luidende, voor zover thans van belang:
"Ik doe aangifte van diefstal. Ik ben werkzaam als medewerker operationele recherche bij de Internationale Nederlanden Groep NV en als zodanig ook bevoegd tot het doen van aangifte.
(...)
[Betrokkene 6] verklaarde dat zij sinds 1997 obligaties mist. Het betreft hier de obligaties Province Quebec, Communaute Urbaine de Montreal en Republic Irland. Aan de hand van haar administratie heb ik van twee van de drie hierboven genoemde obligaties vast kunnen stellen welke stuknummers de door haar aangekochte obligaties dragen:
Communaute Urbaine de Montreal 8,125% nrs 21249 t/nl 21254
Republic Irland nrs 7227 t/m 7240 en nrs 7251 t/m 7255
(...)"
17. Het Hof heeft in zijn arrest als nadere bewijsoverweging opgenomen:
"9.1 Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte de hem onder 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan mede op de proceshouding van de verdachte, die er kennelijk op is gericht de waarheid te bemantelen door het afleggen van ongeloofwaardige verklaringen die - bezien in samenhang met overige bewijsmiddelen - ten dele als kennelijk leugenachtig moeten worden aangemerkt.
9.2 De verdachte heeft ten aanzien van de onder 3 verweten diefstallen van obligaties, waarvan een deel van het gestolene in zijn bezit is aangetroffen, betoogd dat hij deze ten geschenke had ontvangen. Voor die lezing is in het dossier geen enkele steun te vinden; integendeel: de beweerdelijke schenkers hebben een dergelijke schenking uitdrukkelijk ontkend. Het hof verwerpt de lezing van de verdachte voorts op grond van
a) de omstandigheid dat de onder 2 bedoelde valsheid in geschrift (mede) betrekking had op couponrente van deze obligaties en
b) de waarde van de betrokken obligaties, namelijk bijna f 900.000,-, die op zichzelf al het verhaal van de verdachte als uiterst ongeloofwaardig kenmerkt.
Het hof acht zich te meer gesterkt in het aannemen van de leugenachtigheid en ongeloofwaardigheid van deze lezing van de verdachte op grond van hetgeen de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (waarvan het hof overigens vrij spreekt) heeft verklaard, welke verklaringen eveneens als ongeloofwaardig, respectievelijk leugenachtig dienen te worden aangemerkt, zoals kan blijken uit de navolgende overwegingen.
9.3 Ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde valsheid in geschrift heeft de verdachte als motief voor zijn handelen aangegeven (en dat in hoger beroep staande gehouden) dat hij de couponrente van de obligaties uitsluitend uit gemakzucht onder valse naam verzilverde, omdat hij niet wist hoe hij de naam van een nieuwe klant (namelijk hemzelf) in het systeem moest invoeren en het te omslachtig vond om te vragen hoe dat moest. Hij heeft erkend dat hij
a) de bank niet heeft gemeld dat hij deze obligaties bezat en dat een dergelijke melding wel vragen bij zijn werkgever zou doen rijzen;
b) de ontvangen rente, noch het bezit van de obligaties aan de belastingdienst heeft opgegeven, maar ontkend dat zijn motief voor de valsheid (mede) hiermee verband zou houden. Deze ontkenning verwerpt het hof als volstrekt ongeloofwaardig.
9.4 Met betrekking tot het bezit van het bedrag van Bfrs 7.500.000,-, dat de verdachte begin mei 1995 [betrokkene 2] ter bewaring (en even later ter belegging) heeft toevertrouwd, heeft hij verklaard dat dit de opbrengst betrof van een hennepkwekerij die hij van 1988 tot april 1992 had geëxploiteerd; hij had dit geld enkele jaren achter een motorblok in zijn garage bewaard en bedacht kennelijk in mei 1995 (kort nadat het onder 1 tenlastegelegde bedrag was verdwenen) dat hij dit maar elders moest onderbrengen.
Het hof beschouwt deze verklaring als leugenachtig om - onder meer - de navolgende redenen:
a) de verdachte heeft verklaard dat hij zijn hennepkwekerij (in een kelder) met vijf (assimilatie)lampen van 400 Watt bestraalde. Het hof beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat met een dergelijk aantal lampen, mede gelet op de cyclus van een oogst en de opbrengst van hash op de markt, en aldus (beperkt) opgezette kwekerij over een dergelijk tijdvak nimmer een (netto) opbrengst van f 400.000, - kan worden gegenereerd;
b) blijkens de verklaring van [betrokkene 3] heeft deze [betrokkene 2] en de verdachte in of na 1996 geadviseerd bij het opzetten en exploiteren van een hennepkwekerij. Hij adviseerde hen wat ze op bepaalde momenten moesten doen. "Zij hadden namelijk nog nooit Nederwiet gekweekt en dat bleek ook wel"."
18. In het licht van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, bezien in onderlinge samenhang, is 's Hofs oordeel dat verdachte de in het middel aangeduide obligaties heeft weggenomen van wijlen [betrokkene 7] en diens echtgenote met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring wordt zelfstandig door deze bewijsmiddelen gedragen, wat er verder ook zij van 's Hofs nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3. Voor zover het middel nog klaagt dat het namens verdachte gevoerde verweer dat enerzijds verdachte de obligaties als gift heeft ontvangen en dat het anderzijds voor verdachte onmogelijk was om de obligaties te stelen omdat voor het openen van de kluis zowel de banksleutel als de cliëntsleutel nodig is, geen weerlegging vindt in de bewijsmiddelen, mist het feitelijke grondslag, gelet op de inhoud van enerzijds het hiervoor weergegeven proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 4] (bewijsmiddel 10a) en anderzijds de verklaringen van verdachte (bewijsmiddel 1a) en van de getuige [betrokkene 8] (bewijsmiddel 12).
19. Het middel faalt.
20. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie voor de omgekeerde situatie, waarin eerst particulier onderzoek werd verricht en de politie van de resultaten daarvan in kennis werd gesteld o.a. HR 18 maart 2003, LJN AF4321.