ECLI:NL:PHR:2003:AF9559

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02440/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 SvArt. 279 SvArt. 415 SvArt. 450 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de bevoegdheid van een gevolmachtigde advocaat bij afwezigheid verdachte in hoger beroep

In deze strafzaak is de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld. De verdachte was afwezig tijdens de terechtzitting omdat hij in detentie in Marokko verbleef. Zijn advocaat verklaarde gemachtigd te zijn om de verdediging te voeren ondanks zijn afwezigheid.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had onderzocht of de advocaat daadwerkelijk gemachtigd was en dat het hof had moeten nagaan of het mogelijk was de verdachte alsnog te laten verschijnen, gezien de ernst van de tenlastegelegde feiten en zijn vrijspraak in eerste aanleg. Dit zou een schending van artikel 6 EVRM Pro betekenen.

De Hoge Raad overweegt dat het niet aan de rechter is om ambtshalve de machtiging van een advocaat te onderzoeken, maar dat het hof mag uitgaan van de opgave van de advocaat. Tevens is het aan de advocaat om te beslissen of zij de behandeling wil laten aanhouden om de verdachte alsnog te laten verschijnen. Het hof was bevoegd de behandeling voort te zetten omdat de advocaat geen verzoek tot aanhouding had gedaan en de verdachte niet kenbaar had gemaakt dat hij bij de behandeling aanwezig wilde zijn.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat geen schending van het recht op een eerlijk proces had plaatsgevonden. De beslissing van het hof om de behandeling voort te zetten ondanks de afwezigheid van de verdachte was rechtmatig.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 02440/02
Mr Wortel
Zitting: 27 mei 2003
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's Hertogenbosch wegens "poging tot diefstal terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, een cassatiemiddel voorgesteld.
3. Dat middel betreft de toepassing van art. 279 Sv Pro, maar ditmaal in verband met een processuele situatie die tegenovergesteld is aan hetgeen in HR NJ 2002, 77, HR NJ 2002, 338 en HR 25 juni 2002, LJN AE2639 aan de orde was.
In de nu te beoordelen zaak verklaarde de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep dat zij bepaaldelijk gevolmachtigd was om bij afwezigheid van verzoeker diens verdediging te voeren. Daaraan voorafgaand merkte de raadsvrouwe op dat verzoeker niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn omdat hij in Marokko gedetineerd was.
4. De steller van het middel vermeldt dat verzoeker hem heeft laten weten tijdens diens detentie in Marokko nimmer contact te hebben gehad met mr Giebels, die ter terechtzitting als gevolmachtigd raadsvrouwe optrad. Bij de schriftuur is een brief van de consul-generaal te Marokko gevoegd, gedateerd 11 oktober 2002, waarin is opgegeven dat verzoeker heeft verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de terechtzitting in hoger beroep, en is bevestigd dat verzoeker sedert 16 augustus 2001 in Marokko is gedetineerd.
5. Ik merk op dat in het eigenlijke middel een andere klacht naar voren wordt gebracht dan in de daarop gegeven toelichting.
De klacht in het middel luidt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat, althans onvoldoende heeft onderzocht of, de raadsvrouwe op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigd was, zoals zij heeft opgegeven.
In de toelichting op het middel wordt de klacht opgeworpen dat het Hof, kennisnemend van de reden voor verzoekers afwezigheid, had dienen te onderzoeken of het (in verband met de duur van de in Marokko ondergane detentie) mogelijk zou zijn verzoeker alsnog ter terechtzitting te doen verschijnen, waarbij het Hof in aanmerking had behoren te nemen dat aan verzoeker feiten van aanzienlijke ernst zijn tenlastegelegd, en dat verzoeker in eerste aanleg van die feiten is vrijgesproken.
Nu niet blijkt dat het Hof de mogelijkheid om verzoeker alsnog ter terechtzitting te doen verschijnen heeft onderzocht, zou zich een schending hebben voorgedaan van art. 6 EVRM Pro, in het bijzonder verzoekers recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.
6. De klacht lijkt mij, hoe zij ook wordt verstaan, vruchteloos te zijn voorgesteld. Het is niet aan de rechter om ambtshalve te onderzoeken of een advocaat terecht opgeeft over een machtiging van diens cliënt te beschikken. Dat is één- en andermaal beslist in verband met de in art. 450, eerste lid onder a, Sv bedoelde verklaring, vgl. HR NJ 2002, 585 en HR 4 december 2001, LJN AD5208. Ik neem aan dat hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de in art. 279 Sv Pro bedoelde machtiging.
Het Hof diende derhalve uit te gaan van de ter terechtzitting gedane opgave van de raadsvrouwe.
7. Voorts meen ik enkele kanttekeningen te moeten plaatsen bij de in de toelichting op het middel genoemde, kennelijk na het instellen van het cassatieberoep gedane, uitlatingen van verzoeker aan de steller van het middel en aan de consul-generaal, en bij de mededeling van de laatste dat verzoeker sedert 16 augustus 2001 in Marokko gedetineerd is. Laatstbedoelde mededeling wekt de indruk dat verzoeker van 16 augustus 2001 tot de dag waarop de brief van de consul-generaal is gedateerd, 11 oktober 2002, zonder onderbreking in detentie heeft verbleven.
Dat is niet te verenigen met de omstandigheid dat de dagvaarding om in hoger beroep terecht te staan op 18 februari 2002 aan verzoeker in persoon is uitgereikt op het van hem bekende adres in Nederland. Dat blijkt uit een akte die aan het dossierexemplaar van de appèldagvaarding is gehecht. Door die uitreiking komt ook de uitlating jegens de consul-generaal dat verzoeker niet op de hoogte was van de terechtzitting in hoger beroep in een merkwaardig licht te staan.
Doch wat daar ook van zij, de in de toelichting op het middel weergegeven mededelingen van verzoeker houden niet in dat verzoeker op geen enkel moment een contact met de ter terechtzitting opgetreden raadsvrouwe heeft gehad waaruit de laatste heeft kunnen begrijpen dat verzoeker haar machtigde om in hoger beroep ook bij verzoekers afwezigheid de verdediging te voeren.
8. Voorts moet het aan de prudentie van de ter terechtzitting optredende, tot het voeren van de verdediging gemachtigde, raadsman worden overgelaten om al dan niet de beslissingen uit te lokken waardoor de niet-verschenen verdachte alsnog in staat wordt gesteld om de terechtzitting bij te wonen. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe medegedeeld dat zij had begrepen dat verzoeker in januari 2003 weer vrij zou komen. Uit het proces-verbaal blijkt evenwel niet dat de raadsvrouwe heeft verzocht de behandeling aan te houden teneinde verzoeker in staat te stellen daarbij aanwezig te zijn.
9. Ingevolge de art. 278 jo Pro 415 Sv kwam het Hof de bevoegdheid toe de persoonlijke verschijning van verzoeker te gelasten. Verplicht was het Hof daartoe niet. Nu de ter terechtzitting optredende raadsvrouwe niet kenbaar heeft gemaakt dat verzoeker, op dat moment verhinderd ter terechtzitting aanwezig te zijn, er prijs op stelde in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, en niet het daarmee overeenkomende verzoek tot aanhouding van de behandeling heeft gedaan, is art. 6 EVRM Pro niet geschonden door 's Hofs beslissing de behandeling voort te zetten en af te ronden.
10. Het middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro. Redenen voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,