ECLI:NL:PHR:2003:AF9559
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de bevoegdheid van een gevolmachtigde advocaat bij afwezigheid verdachte in hoger beroep
In deze strafzaak is de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld. De verdachte was afwezig tijdens de terechtzitting omdat hij in detentie in Marokko verbleef. Zijn advocaat verklaarde gemachtigd te zijn om de verdediging te voeren ondanks zijn afwezigheid.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had onderzocht of de advocaat daadwerkelijk gemachtigd was en dat het hof had moeten nagaan of het mogelijk was de verdachte alsnog te laten verschijnen, gezien de ernst van de tenlastegelegde feiten en zijn vrijspraak in eerste aanleg. Dit zou een schending van artikel 6 EVRM Pro betekenen.
De Hoge Raad overweegt dat het niet aan de rechter is om ambtshalve de machtiging van een advocaat te onderzoeken, maar dat het hof mag uitgaan van de opgave van de advocaat. Tevens is het aan de advocaat om te beslissen of zij de behandeling wil laten aanhouden om de verdachte alsnog te laten verschijnen. Het hof was bevoegd de behandeling voort te zetten omdat de advocaat geen verzoek tot aanhouding had gedaan en de verdachte niet kenbaar had gemaakt dat hij bij de behandeling aanwezig wilde zijn.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat geen schending van het recht op een eerlijk proces had plaatsgevonden. De beslissing van het hof om de behandeling voort te zetten ondanks de afwezigheid van de verdachte was rechtmatig.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.