ECLI:NL:PHR:2003:AF9569
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging tot moord en verkrachting ondanks termijnoverschrijding en bewijsdiscussies
Deze zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 april 2002, waarin verdachte is veroordeeld voor onder meer poging tot moord, medeplegen van gijzeling en meermalen gepleegde verkrachting. De Hoge Raad stelt vast dat het cassatieberoep op 1 mei 2002 is ingesteld, maar dat de stukken pas op 22 januari 2003 zijn ontvangen, waardoor de redelijke termijn is overschreden. Dit eerste middel wordt gegrond verklaard.
De overige middelen betreffen onder meer de bewijsvoering rondom een verkrachting die volgens de verdediging slechts steunt op de aangifte van het slachtoffer en een verklaring van verdachte die onder invloed van sedativa zou zijn afgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht gebruik heeft gemaakt van deze verklaring en dat het niet verplicht is om een afzonderlijke motivering te geven voor het gebruik van een verklaring die afwijkt van eerdere ontkenningen.
Daarnaast is er discussie over de toepassing van artikel 244 Sv Pro omtrent de termijn waarbinnen de officier van justitie moet aangeven of hij vervolging instelt voor bepaalde feiten. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 244 Sv Pro niet van toepassing is wanneer het gerechtelijk vooronderzoek wordt gesloten door een kennisgeving dagvaarding aan de rechter-commissaris, maar benadrukt dat de verdachte tijdig en adequaat op de hoogte moet worden gesteld van de feiten waarvoor hij zich moet verantwoorden.
Verder is er een klacht over de afwijzing van een contra-expertise na een NFI-rapportage over schietsporen. Het hof heeft geoordeeld dat het NFI-onderzoek volledig en objectief was, en de Hoge Raad ziet geen reden dit oordeel te herzien. Ten slotte behandelt de Hoge Raad de bewezenverklaring van poging tot moord, waarbij het hof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verdachte opzet had, ook al ontkent verdachte dit.
De Hoge Raad verklaart het eerste middel gegrond wegens termijnoverschrijding, maar verwerpt de overige middelen en bevestigt het arrest van het hof met een gevangenisstraf van achttien jaren en een schadevergoedingsmaatregel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot achttien jaar gevangenisstraf ondanks schending van de redelijke termijn in cassatie.