AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging tot moord en verkrachting ondanks termijnoverschrijding en bewijsdiscussies
Deze zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 april 2002, waarin verdachte is veroordeeld voor onder meer poging tot moord, medeplegen van gijzeling en meermalen gepleegde verkrachting. De Hoge Raad stelt vast dat het cassatieberoep op 1 mei 2002 is ingesteld, maar dat de stukken pas op 22 januari 2003 zijn ontvangen, waardoor de redelijke termijn is overschreden. Dit eerste middel wordt gegrond verklaard.
De overige middelen betreffen onder meer de bewijsvoering rondom een verkrachting die volgens de verdediging slechts steunt op de aangifte van het slachtoffer en een verklaring van verdachte die onder invloed van sedativa zou zijn afgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht gebruik heeft gemaakt van deze verklaring en dat het niet verplicht is om een afzonderlijke motivering te geven voor het gebruik van een verklaring die afwijkt van eerdere ontkenningen.
Daarnaast is er discussie over de toepassing van artikel 244 SvPro omtrent de termijn waarbinnen de officier van justitie moet aangeven of hij vervolging instelt voor bepaalde feiten. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 244 SvPro niet van toepassing is wanneer het gerechtelijk vooronderzoek wordt gesloten door een kennisgeving dagvaarding aan de rechter-commissaris, maar benadrukt dat de verdachte tijdig en adequaat op de hoogte moet worden gesteld van de feiten waarvoor hij zich moet verantwoorden.
Verder is er een klacht over de afwijzing van een contra-expertise na een NFI-rapportage over schietsporen. Het hof heeft geoordeeld dat het NFI-onderzoek volledig en objectief was, en de Hoge Raad ziet geen reden dit oordeel te herzien. Ten slotte behandelt de Hoge Raad de bewezenverklaring van poging tot moord, waarbij het hof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verdachte opzet had, ook al ontkent verdachte dit.
De Hoge Raad verklaart het eerste middel gegrond wegens termijnoverschrijding, maar verwerpt de overige middelen en bevestigt het arrest van het hof met een gevangenisstraf van achttien jaren en een schadevergoedingsmaatregel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot achttien jaar gevangenisstraf ondanks schending van de redelijke termijn in cassatie.
Conclusie
Nr. 00118/03
Mr Machielse
Zitting 3 juni 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 29 april 2002 voor; (parketnummer 04/050346-00) sub 1 primair: "Poging tot moord", sub 2: "Medeplegen van gijzeling, meermalen gepleegd", sub 3 subsidiair: "Poging tot doodslag", sub 4: "Verkrachting", sub 5: "Verkrachting, meermalen gepleegd", sub 6: "Verkrachting, meermalen gepleegd", (parketnummer 04/051064-00) sub 1 primair: "Poging tot moord", sub 2: "Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, tweede lid, onder a, van de Wet wapens en munitie, respectievelijk handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Mr R. Cats, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende zeven middelen van cassatie. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte], onder griffienummer 00117/03 waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Het eerste middel klaagt over een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
Het cassatieberoep is op 1 mei 2002 ingesteld. De stukken zijn niet binnen de acht maanden daarna, maar eerst op 22 januari 2003 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Aldus is inderdaad de redelijke termijn geschonden. Het eerste middel is gegrond en de Hoge Raad zal daaraan het gevolg kunnen verbinden wat hem gepast voorkomt.
4.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs van feit 4, een der verkrachtingen waarvoor verdachte is veroordeeld. De klacht komt erop neer dat het hof in wezen de veroordeling voor dit feit enkel heeft laten steunen op de aangifte van het slachtoffer. De als bewijsmiddel 16 opgenomen verklaring van verdachte zou niet voor het bewijs mogen gelden gelet op het feit dat verdachte juist dit feit eerder heeft ontkend en de voor het bewijs gebezigde verklaring zou hebben afgelegd onder invloed van sedativa.
Het hof heeft als bewijsmiddel 16 voor het bewijs gebezigd:
Een proces-verbaal van regiopolitie Limburg-Noord, district Venl/Venlo, mutatienummer PL2320/00-032506, op 31 maart 2000 op ambtseed opgemaakt, gesloten en getekend door M.J.M. Spaaij. en Th.M.H. Heijnen, beiden brigadier van politie regio Limburg-Noord, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - als volgt.
Als de op 31 maart 2000 door [verdachte] afgelegde verklaring aan verbalisanten:
"Ik begrijp dat we het vandaag gaan hebben over wat er gebeurd is op sexueel gebied met de oudste dochter. Inmiddels heb ik gelezen dat zij [slachtoffer 7] heet. Ik weet nog dat ik met haar als eerste naar een aparte slaapkamer ben gegaan. Ik hou mij vast aan de verklaring die [slachtoffer 7] daarover heeft afgelegd. Ik zal dit zeker niet ontkennen. Ik neem zonder meer aan dat ik haar gedwongen heb om mij te pijpen. Ik heb voordat zij mijn penis in de mond moest stoppen [slachtoffer 7] bij haar hoofdharen vastgepakt en op die manier mijn lul in haar mond gestopt. "
4.2. De toonzetting van deze verklaring is wat weifelend maar niettemin is deze verklaring bruikbaar voor het bewijs. Verdachte laat in deze verklaring blijken dat hij alles zichzelf niet meer precies herinnert, maar dat hij geen reden heeft te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van het slachtoffer en dat de inhoud van die aangifte niet op een barrière in zijn herinneringen stuit. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om binnen de door de wet getrokken grenzen van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft in de regel geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(1) Geen regel van Nederlands recht vergt van de rechter een afzonderlijke motivering van het gebruik voor het bewijs van een verklaring van verdachte die in strijd is met eerdere door verdachte afgelegde verklaringen.(2) Ik citeer een overweging van de Hoge Raad:
"Geen wettelijk voorschrift verbiedt de rechter voor het bewijs gebruik te maken van een verklaring van de verdachte, opgenomen in een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde autoriteit opgemaakt proces-verbaal, indien deze verklaring afwijkt van zijn door de rechter ter zijde gelaten latere verklaring ter terechtzitting.(3)
(...)
Het stond het Hof vrij die bekennende verklaring tot het bewijs te bezigen zonder daarvan in het bestreden arrest verantwoording af te leggen."
Voorts merk ik op dat de stelling van het middel dat er geen ander bewijs voor het feit is dan de aangifte van het slachtoffer en de aangevochten verklaring van verdachte feitelijke grondslag mist. Als bewijsmiddel 18 heeft het hof het volgende bewijsmiddel gebezigd:
Een op de in artikel 344 vanPro het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven wijze door de regiopolitie Limburg Noord opgemaakt proces-verbaal, d.d. 17 maart 2000, nummer PL2320/00-032675, weergegeven op de doorgenummerde bladzijden 82 tot en met 87, welk proces-verbaal als bijlage bij het proces-verbaal dossiernummer 00-001290 is gevoegd, inhoudende de op evenvermelde datum tegenover verbalisanten A.J.G. Gorissen en N. Claessens afgelegde verklaring van [slachtoffer 6], (het hof: [...] of [...]) alsmede als relaas van verbalisanten voornoemd.
Deze verklaring en dit relaas houden onder meer in - zakelijk weergegeven - als volgt.
"Ik doe aangifte van verkrachting en vrijheidsberoving. Op 17 maart 2000 om 06.00 uur zijn twee mannen onder bedreiging van een vuurwapen mijn woning op de [a-straat 1] te [woonplaats] binnengedrongen. Een man heette [verdachte]. [Verdachte] had een vuurwapen in zijn hand en zei tegen mij en mijn twee zussen dat wij ons moesten uitkleden. [Slachtoffer 8] en ik mochten onze onderbroek aanhouden. [Slachtoffer 7] kleedde zich helemaal uit en [verdachte] nam haar mee naar de slaapkamer van [slachtoffer 8] (...)"
En als bewijsmiddel 22:
Een op de in artikel 344 vanPro het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven wijze door de regiopolitie Limburg Noord opgemaakt proces-verbaal van studioverhoor, d.d. 18 maart 2000, weergegeven op de doorgenummerde bladzijden 103 tot en met 178, welk proces-verbaal als bijlage bij het proces-verbaal dossiernummer 00-001290 is gevoegd, inhoudende de op evenvermelde datum tegenover verbalisanten L. Seuren en J. Hoeijmakers afgelegde verklaring van [slachtoffer 8]. (het hof: [...])
Deze verklaring houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als volgt.
"Op 17 maart 2000 kwamen [verdachte] en [medeverdachte] onze woning binnen met een pistool. Toen wij op de bovenverdieping kwamen moesten de vrouwen de slaapkamer van de ouders op. [Verdachte] kwam onze kant op en zei dat wij ons uit moesten kleden. [Verdachte] zwaaide ondertussen met een pistool. [Slachtoffer 7] moest al haar kleren uitdoen. [Verdachte] zei dat [slachtoffer 7] moest meekomen (...)"
Deze beide bewijsmiddelen bieden voldoende steun voor de bewezenverklaring van de verkrachting van de oudste dochter. Weliswaar houden beide bewijsmiddelen niet in dat de zussen van het slachtoffer van de verkrachting getuige zijn geweest, maar dat is ook geen vereiste.
4.3. Het tweede middel faalt.
5.1. Het derde middel klaagt over schending van art. 244 SvPro. Het voert aan dat het onder parketnummer 04/051064-00 sub 2 telastegelegde feit was betrokken in het tegen verdachte gevoerde gerechtelijk vooronderzoek maar geen onderdeel uitmaakte van de summiere, op de voet van art. 258 lid 2 SvPro uitgebrachte dagvaarding. Eerst toen het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 september 2000 werd hervat heeft de officier van justitie aangekondigd dat verdachte ook nog zou worden vervolgd voor twee andere feiten begaan op 17 maart 2000 te Helden, te weten poging tot moord op politieambtenaren en handelen in strijd met de WWM.(4) Op 29 november 2000 heeft de Rechtbank gelast dat de feiten onder parketnummer 04/051064-00 gevoegd zouden worden bij de feiten met parketnummer 04/050346-00. In feitelijke aanleg is aangevoerd dat de uiting van het voornemen van de officier van justitie om ook voor het misdrijf van de WWM te vervolgen te laat heeft plaatsgevonden, weshalve het OM in die vervolging niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard.
Het hof heeft het volgende daaromtrent overwogen:
"De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot feit 2 op de separate dagvaarding onder parketnummer 04/051064-00 en heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat het voorhanden hebben van een vuurwapen deel uitmaakte van het op 20 maart 2000 geopende gerechtelijk vooronderzoek. Die verdenking was niet opgenomen in het bevel bewaring en is daar ook niet later aan toegevoegd, zodat de voorlopige hechtenis niet gold ten aanzien van dit feit.
Op 13 juni 2000 is het gerechtelijk vooronderzoek geëindigd en is de zaak aangebracht door middel van een pro-forma dagvaarding, ex artikel 258, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering. Het voorhanden hebben van een vuurwapen stond niet op die dagvaarding vermeld. Ter zitting van 15 september 2000 heeft de officier van justitie de dagvaarding op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering aangepast en aangekondigd verdachte te zullen vervolgen terzake de verdenking van het voorhanden hebben van een vuurwapen. In artikel 244 vanPro het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat uiterlijk binnen 2 maanden nadat het gerechtelijk onderzoek gesloten is, de officier van justitie dient aan te geven of hij de verdachte zal vervolgen voor de feiten uit dat gerechtelijk vooronderzoek. Het gerechtelijk vooronderzoek is op 13 juni 2000 beëindigd en pas op 15 september 2000 heeft de officier van justitie aangekondigd verdachte te zullen vervolgen terzake het voorhanden hebben van een vuurwapen. De termijn en strekking van artikel 244 vanPro het Wetboek van strafvordering is derhalve geschonden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 20 maart 2000 is een gerechtelijk vooronderzoek geopend waarvan het bedoelde vuurwapen deel uitmaakte. Dit feit werd niet opgenomen in het bevel bewaring en evenmin op het bevel gevangenhouding. Het gerechtelijk vooronderzoek werd op grond van artikel 258 lidPro 2, van het Wetboek van Strafvordering beëindigd door een kennisgeving dagvaarding aan de rechter-commissaris. Op die dagvaarding stond het voorhanden hebben van een vuurwapen evenmin vermeld. Op de terechtzitting van 15 september 2000 heeft de officier van justitie op grond van artikel 314a de dagvaarding aangepast en tegelijkertijd mondeling aangekondigd dat hij verdachte zou vervolgen terzake de verdenking van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Een dag later, op 16 september 2000, heeft de officier van justitie een separate dagvaarding laten uitgaan met daarop als sub 2 vermeld het voorhanden hebben van bedoeld vuurwapen, welke dagvaarding op 20 september 2000 aan de verdachte in persoon is betekend.
Het hof is met de raadsman van oordeel, dat de geschetste gang van zaken inderdaad niet wenselijk is. Het hof verenigt zich echter niet met de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging terzake van dit feit. Het hof stelt vast, dat het gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft gehad mede op het voorhanden hebben van een vuurwapen. Dit gerechtelijk vooronderzoek is op de voet van artikel 258, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering gesloten door kennisgeving aan de rechter-commissaris van de dagvaarding. In een dergelijk geval is op grond van artikel 258, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, laatste volzin, artikel 244 vanPro het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing. Niettemin is het hof van oordeel dat het stelsel van het Wetboek van Strafvordering met zich brengt, dat ook indien het gerechtelijk vooronderzoek op een dergelijke wijze een einde neemt, de verdachte niet langer dan onvermijdelijk is in het ongewisse mag blijven van de omvang en aard van de feiten waarvoor hij zich ter terechtzitting zal hebben te verantwoorden. Veelal zal aan deze onzekerheid een einde worden gemaakt doordat de verdachte ter zitting wordt geconfronteerd met de vordering tot nadere omschrijving van de telastelegging. In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie een dergelijke vordering gedaan ter terechtzitting van 15 september 2000. Weliswaar was het voorhanden hebben van een vuurwapen in de nadere omschrijving niet opgenomen (kennelijk, omdat dat feit niet voorkwam in het bevel bewaring/gevangenhouding), maar op diezelfde zitting van 15 september 2000 heeft de officier van justitie aangekondigd, dat onder meer voor dat feit nog een dagvaarding zou worden uitgebracht. Gelet op de betrekkelijke eenvoud van het vuurwapendelict en de (afgezet tegen de overige delicten) geringe ernst daarvan, is het hof van oordeel, dat verdachte door de gevolgde handelwijze niet in relevante mate in zijn belangen is geschaad, nu hij inhoudelijk adequaat tijdig op de hoogte is gesteld van de omvang van de feiten waarvoor hij zich had te verantwoorden. Derhalve wordt het verweer verworpen."
De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat het hier niet gaat om een aanpassing van de summiere dagvaarding, maar om het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding. Het middel onderschrijft het oordeel van het hof dat het ongewenst zou zijn indien verdachte langer dan noodzakelijk in het ongewisse blijft over de feiten waarvoor hij zal worden vervolgd, maar vervolgt dan met de opmerking dat een nieuwe termijn slechts aan de officier van justitie kan worden gegund indien de ernst van het feit daartoe aanleiding geeft. Door te wijzen op de betrekkelijk geringe ernst van het feit heeft het hof volgens de steller van het middel een verkeerde maatstaf gebezigd. De opmerking van het hof dat de belangen van verdachte niet in relevante wijze zijn geschaad ziet volgens de steller van het middel over het hoofd dat de rechtsvraag waarvoor het hof zich zag gesteld slechts inhield of harde wettelijke termijnen hier niet zijn nageleefd en welke consequentie dan past.
5.2. Als een gerechtelijk vooronderzoek is afgerond mag van de officier van justitie worden verlangd dat hij zich een oordeel vormt binnen de termijn genoemd in art. 244 lid 1 SvPro over de vraag of hij op grond van de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek verder zal vervolgen, en zoja voor welke feiten. Dan geldt art. 244 SvPro. Artikel 258 lid 2 SvPro houdt in dat art. 244 SvPro geen toepassing vindt indien de officier van justitie een zaak "wegdagvaardt". De beslissing welke feiten de officier van justitie aan de verdachte zal telasteleggen zal de officier van justitie immers niet steeds kunnen nemen voor de pro formazitting die noodzakelijk wordt als de gevangenhouding tegen een verdachte reeds tweemaal is verlengd. De opgave van het feit dat is omschreven op de voet van art. 261 lid 3 SvPro is noodzakelijkerwijs een voorlopige. De officier van justitie kan volstaan met een opgave van de feiten zoals omschreven in het bevel gevangenhouding. Hij is dus niet verplicht andere feiten, tot welke het gerechtelijk vooronderzoek zich uitstrekte, in de voorlopige opgave uit te schrijven. Door het strikte regiem van de bewaking van de duur van de voorlopige hechtenis moet immers al gedagvaard worden ook als het gerechtelijk vooronderzoek nog niet is afgerond. De voorlopige opgave van art. 261 lid 3 SvPro wordt eerst ter terechtzitting vervolmaakt tot een 'volledige' tenlastelegging. Eerst als de strafzaak tegen verdachte ten gronde wordt behandeld zal het voorwerp van het eindonderzoek dienen vast te staan.
5.3. Ik maak uit HR NJ 2002, 601 m.nt. Buruma op dat een feit, dat betrokken is in een gerechtelijk vooronderzoek, zelfs als twee maanden zijn verstreken sinds het uitbrengen van de initiële dagvaarding, houdende een voorlopige opgave van het feit, alsnog kan worden telastegelegd. Meer bepaald doel ik op de gang van zaken rond het feit 7 ("Tucacas"). Deze zaak was, zo begrijp ik, wel voorwerp geweest van het gerechtelijk vooronderzoek, maar was niet opgenomen in de opgave der feiten conform art. 261 lid 3 SvPro. Op 16 juni 1999 vond een pro-formazitting plaats. Op 6 september 1999 deed de officier van justitie een dagvaarding uitgaan waarop de zaak "Tucacas" wel was vermeld. Op 21 september 1999 vorderde de officier van justitie op de voet van art. 314a lid 1 Sv ter terechtzitting dat de voorlopige opgave in overeenstemming werd gebracht met de eisen van art. 261 ledenPro 1 en 2 Sv. De Hoge Raad vond geen aanleiding om ambtshalve in te grijpen.
In de onderhavige zaak is hetzelfde aan de hand. Niet art. 244 SvPro maar art. 6 lid 3 onderPro a EVRM is hier van toepassing. Dan geldt wat het EHRM in de zaak Mattioccia overwoog:
"While the extent of the "detailed" information referred to in this provision varies depending on the particular circumstances of each case, the accused must at any rate be provided with sufficient information as is necessary to understand fully the extent of the charges against him with a view to preparing an adequate defence.
In this respect, the adequacy of the information must be assessed in relation to sub-paragraph (b) of paragraph 3 of Article 6, which confers on everyone the right to have adequate time and facilities for the preparation of their defence and in the light of the more general right to a fair hearing embodied in paragraph 1 of Article 6 of the Convention (...).(5)"
Daarnaast speelt nog een rol dat art. 6 lid 3 onderPro a EVRM spreekt van 'promptly' en dat art. 244 SvPro de strekking heeft de verdachte zo kort mogelijk in het ongewisse te laten of de officier van justitie meent hem terzake van de feiten die het onderwerp van het gerechtelijk vooronderzoek waren wel of niet verder te moeten vervolgen, en zo ja met betrekking tot welke van die feiten die vervolging zal plaatsvinden. De omstandigheid dat art. 244 SvPro niet van toepassing is verklaard in art. 258 lid 2 SvPro mag niet verleiden tot de gedachte dat in zo een geval de officier van justitie niét behoeft te streven naar een snelle en adequate informatie van de verdediging over wat verdachte te wachten staat.(6)
Toen op 15 september 2000 de officier van justitie zijn voornemen kenbaar maakte verdachte ook voor het misdrijf van de WWM te zullen vervolgen ontlokte dat aan de advocaat van verdachte geen kritiek. Op 29 november 2000 is vervolgens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg ten principale gevoerd, waarbij naast het delict van de WWM ook andere feiten uit het gerechtelijk vooronderzoek aan de strafrechter zijn voorgelegd. Naar mijn oordeel is aan de eisen van art. 6 lid 3 onderPro a Sv en aan die van het stelsel van het Wetboek van strafvordering voldaan, nu de verdediging de gelegenheid heeft gehad zich voor te bereiden op het onderzoek naar het misdrijf van de WWM en nu dat misdrijf, dat voorwerp van het gerechtelijk vooronderzoek heeft uitgemaakt, tegelijk met de andere feiten uit dat gerechtelijk vooronderzoek aan de strafrechter in het eindonderzoek is voorgelegd.(7)
Het oordeel van het hof dat de verdediging inhoudelijk adequaat tijdig op de hoogte is gesteld geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in ogenschouw genomen dat de advocaat in feitelijke aanleg niet over enige belemmering van de verdediging door de handelwijze van de officier van justitie heeft geklaagd.
5.4. Het derde middel faalt.
6.1. Het vierde middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om een contra-expertise te doen verrichten nadat het NFI had gerapporteerd over feit 1 van de dagvaarding met parketnummer 04/051064-00. Het betreft de vraag of een onderzoek van deskundigen materiaal zou kunnen aandragen ter ondersteuning of ontkrachting van het verwijt dat verdachte gericht op de politiefunctionarissen Hinssen en Kersten zou hebben geschoten, dit alles in het licht van de verklaring van verdachte dat hij niet op de politiemensen, maar in de lucht zou hebben geschoten.
Het hof heeft uiteindelijk dat verzoek afgewezen met de volgende motivering:
"Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof met betrekking tot de klacht over de onvolledigheid het volgende mede. De getuige-deskundige Kosterman heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd medegedeeld dat hij geen onderscheid kan maken tussen - dan wel een juiste omschrijving kan geven - van kruitdamp, mondingsvuur, condensvorming of andere sporen en dat de getuige-deskundige derhalve niet kan aangeven wat hij exact heeft waargenomen. Het NFI heeft op alle onderdelen onderzoek verricht, waarbij met name met betrekking tot de condensstreep waarop de verdediging zich baseert, onderzoek is verricht met gebruikmaking van ervaringen van deskundigen bij het NPI, de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging. Aan de hand van deze onderzoeken is niet gebleken dat er condenssporen zijn waargenomen. De enkele omstandigheid dat er eenmaal een internetmelding van mogelijke condenssporen is gemaakt noopt niet tot een nader proefondervindelijk onderzoek, nu daar sprake was van een totaal ander wapen en de getuige-deskundige in zijn rapport heeft aangegeven dat, zo het al mogelijk zou zijn alle omstandigheden zoals die op de dag van 17 maart 2000 heersten na te bootsen, zulks een waarneming zou opleveren die zo specifiek zou zijn, dat, naar het voorlopig standpunt van het hof, de daaraan te verbinden conclusie niet van belang is of kan zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing.
Met betrekking tot de klacht van de raadsvrouwe dat het onderzoek niet objectief is verricht is het hof van oordeel dat de verdediging ter terechtzitting van 25 oktober 2001 heeft ingestemd met een onderzoek door het NFI. De onderzoekers van het NFI hebben uitsluitend contacten gehad met die deelnemers van het onderzoek die belast waren met het aanwijzen van objectieve gegevens die noodzakelijk waren voor het verrichten van de schietproeven. Enig gebrek aan objectiviteit in het onderzoek is niet aannemelijk geworden.
Op vorenstaande gronden wijst het hof het verzoek van de raadsvrouwe tot het verrichten van een contra-expertise af."
De kritiek van het middel op deze motivering houdt in de eerste plaats in dat het hof ten onrechte geen nader onderzoek heeft gelast onder de omstandigheden zoals die op 17 maart 1999 golden. Een onderzoek onder zulke specifieke omstandigheden zou wellicht de waarneming van de getuige-deskundige Kosterman hebben kunnen bevestigen dat hij vanaf de plaats waar hij zich bevond mondingsvuur, kruitdamp of condenssporen heeft gezien die niet waren gericht op de politieauto die zich nabij het kruispunt bij de Baarloseweg bevond.
6.2. De deskundige Kerkhoff van het NFI heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2002 het volgende verklaard:
"Wij hebben met betrekking tot waarnemingen omtrent condenssporen gezocht naar ooggetuigen. Daarbij is er gebruik gemaakt van ervaringswetenschap van het NFI, de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging. Het NFI heeft ook ervaringen met buitenschietbanen. De buitenbanen worden niet gebruikt bij vorst en duisternis. Alle weertypen zijn daarbij meegenomen: warm, koud, vochtig, etc. De Jagersvereniging stoelt zijn ervaringen hoofdzakelijk op herfst- en winterwaarnemingen. Bij mijn weten is er echter nog nooit een condensspoor waargenomen. Het is dan ook geen algemeen voorkomend effect. Mondingsvuur bijvoorbeeld is een vast gegeven en smering levert rook op. Als we een melding zouden hebben gehad van het fenomeen condensspoor, dan hadden we die opgevoerd. Op internet werd een melding gevonden van een "vapor-trail". Daarbij werd met een .220 Swift geweer geschoten. Die waarneming hebben we echter niet kunnen verifiëren.
(...)
Op de vraag van de raadsvrouwe waarom we geen proeven hebben gedaan met betrekking tot het condensspoor kan ik verklaren dat we daaromtrent geen waarnemingen hebben. Met het wapen dat hier is gebruikt is zo'n streep nog nooit waargenomen."
6.3. Nu deze getuige-deskundige heeft verklaard
- dat bij het onderzoek van het NFI alle weertypen zijn betrokken
- dat instanties zijn geraadpleegd die vermoed mogen worden ervaring te hebben met het al dan niet optreden van condenssporen bij het gebruik van een schietwapen
- dat er op internet sprake is van één niet verifieerbare melding van een condensspoor bij het afschieten van een ander wapen dan waarmee verdachte heeft geschoten
- dat van het wapen waarmee verdachte heeft geschoten nog nooit een condensspoor is waargenomen
heeft het hof kunnen aannemen dat het door het NFI uitgevoerde onderzoek zo volledig is geweest als redelijkerwijs mogelijk was gelet op de gegevens van de zaak.
Daarbij dient nog het volgende te worden bedacht. De vraag die de verdediging heeft opgeworpen is of de getuige-deskundige Kosterman kán hebben gezien dat verdachte niet in de richting van de politieauto maar in andere richting heeft geschoten. De discussie concentreerde zich vervolgens op de vraag of de getuige-deskundige Kosterman condenssporen kan hebben waargenomen. Maar de cruciale vraag is natuurlijk geweest of verdachte al dan niet in de richting van verbalisanten heeft geschoten. De verklaring van Kosterman wijst erop dat verdachte in een andere richting zou hebben geschoten. Tegenover de verklaring van Kosterman staan andere verklaringen die reppen van een kogelinslag in de nabijheid van de verbalisanten. Ook verdachte zelf heeft blijkens bewijsmiddel 35 verklaard dat hij op de politieauto heeft gemikt. Het hof heeft klaarblijkelijk uit de verklaring van de deskundige Kerkhoff afgeleid dat de stelling dat er condenssporen te zien zouden zijn geweest uiterst onwaarschijnlijk is, waarna het hof zich voor de keuze zag gesteld aan welke van de verklaringen het meer waarde zou toekennen dan aan de andere. Het hof heeft ter terechtzitting van 4 oktober 2001, van 25 oktober 2001 en van 10 januari 2002 Kosterman als getuige-deskundige gehoord. De verdediging heeft alle gelegenheid gehad Kosterman te ondervragen. Ook Hinssen, Kersten en Van der Hoff zijn over dit punt gehoord. Tot meer was het hof zeker niet gehouden.
Het eerste onderdeel faalt.
6.4. Het tweede onderdeel klaagt over de betrokkenheid van politieambtenaren bij het onderzoek door het NFI, waardoor dat onderzoek de nodige objectiviteit zou missen. Uit de verklaring van de getuige-deskundige Kerkhoff blijkt dat Geraedts de maten op de plaats van het delict heeft aangewezen en het raam van waaruit zou zijn geschoten. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat er nieuwe grond was aangebracht op de plaats waar de kogel ongeveer zou zijn ingeslagen, en Van der Hoff heeft aangewezen waar de kogel ongeveer moet zijn ingeslagen. Inhoudelijk is er met deze politiefunctionarissen niet over het onderzoek gesproken. Het is mij onduidelijk welk 'subjectief element' aldus het onderzoek van het NFI is binnengesmokkeld. Als aan het NFI gevraagd wordt onderzoek te doen naar de mogelijkheid dat een inslaande kogel bodemmateriaal heeft doen opspatten lijkt het mij voor de hand te liggen dat onderzoek wordt verricht aan de hand van vergelijkbaar bodemmateriaal als dat wat aanwezig was ter plaatse waar de getuigen Hinssen en Kersten zich bevonden toen naar hun zeggen de kogel in hun nabijheid insloeg. Om zo een onderzoek uit te kunnen voeren diende het NFI dus te beschikken over de gegevens die de politieambtenaren hebben verstrekt. Het oordeel van het hof dat enig gebrek aan objectiviteit niet aannemelijk is geworden getuigt niet van een verkeerde rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst.
Ook het tweede onderdeel faalt derhalve.
7.1. Het vijfde middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3 van de dagvaarding met parketnummer 04/050346-00. Het bewijs dat verdachte opzet had op levensberoving van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4] zou ontoereikend zijn mede bezien tegen de achtergrond van de verklaring van verdachte dat hij niet de bedoeling heeft gehad iemand te raken.
Het hof heeft de bewezenverklaring van dit feit klaarblijkelijk doen berusten op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen;
- bewijsmiddel 13, inhoudende de navolgende verklaring van [slachtoffer 2], voorzover op dit punt relevant:
"Ik werd bij mijn dochters weggehaald en moest naar de kamer waar de mannen waren. Wij besloten te vluchten. [Slachtoffer 5] deed het rolluik omhoog en maakte het raam open. [Slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] gingen door het raam naar buiten het plat dak op. Ik ging ook naar buiten. Toen ik half in het raam zat, hoorde ik dat er geschoten werd. Ik voelde dat mijn been nat werd."
- bewijsmiddel 25, inhoudende als verklaring van verdachte:
"Ik lag met [slachtoffer 8] op die slaapkamer. Ik hoorde gestommel. [Medeverdachte] riep dat er weer drie weg waren. Ik nam daarop mijn pistool en schoot, op kniehoogte, door de gesloten deur heen. Ik wist niet zeker of alle drie personen die kamer reeds verlaten hadden."
- bewijsmiddel 26, inhoudende als verklaring van verdachte:
"Toen hij die deur dicht had trok ik mijn pistool en schoot zo door de deur heen. Daarna opende ik die deur weer en zag ik dat in de verwarmingsradiator een kogelinslag zat. De radiator ligt precies in het verlengde van de deur waardoor ik geschoten heb."
- bewijsmiddel 27, inhoudende als relaas van verbalisanten:
"Naar aanleiding van een gijzeling werd door ons op 17 en 18 maart 2000 een onderzoek in de woning [a-straat 1] te [woonplaats] ingesteld. (...)
In de deur van de slaapkamer van [slachtoffer 6] zat een inschotopening op een hoogte van 97 centimeter vanaf de vloer. In de slaapkamer van [slachtoffer 6] is een inschotopening te zien in de verwarming op 43,5 centimeter vanaf de vloer. De kogel werd in een radiator aangetroffen. De vloerbedekking onder de radiator was nat, als gevolg van het uit de radiator gelopen water."
Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen 12, 14, 18, 21, 26 en 34 dat verdachte heeft gedreigd de gegijzelden dood te zullen schieten als niet werd gedaan wat hij zei.
De toelichting op het middel stelt dat uit bewijsmiddel 25 niet kan volgen dat verdachte er nog rekening mee hield dat een van de gegijzelden nog in de kamer aanwezig was door de toegangsdeur waarvan verdachte heeft geschoten. Voorts zou uit bewijsmiddel 27 zijn af te leiden dat verdachte in benedenwaartse richting heeft geschoten. (Voorwaardelijk) opzet op levensberoving zou door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet kunnen worden gedragen.
7.2. Tegen de achtergrond van de inhoud der bewijsmiddelen 12, 14, 18, 21, 26 en 34 heeft het hof klaarblijkelijk aangenomen dat verdachte door de deur heeft geschoten ter uitvoering van zijn herhaalde malen geuite dreigement de gegijzelden te zullen vermoorden als zij zich niet hielden aan zijn instructies. Dat verdachte er niet zeker van was of de gegijzelden zich nog in de kamer bevonden doet niet ter zake. Evenmin is voor het opzet relevant in welke richting verdachte heeft geschoten. Ik merk overigens in dit verband op dat de woorden 'in neerwaartse richting' een groot bereik aan declinatie omvatten en dat het afhangt van de afstand die de kogel moet afleggen om tot een verval tussen inschot en uitschot van 53,5 cm te komen, of er waarneembaar in neerwaartse richting is geschoten. Regels van algemene ervaring met betrekking tot het schieten met handvuurwapens leren dat de schutter zelf, die "uit de heup" rechtuit wil schieten, daarin bijna nooit slaagt. Bijna in alle gevallen is er een afwijking en het zou mij niet verbazen als in de meerderheid der gevallen die afwijking neerwaarts is gelet ook op de invloed die het gewicht van het wapen op de schiethouding uitoefent.
Aldus is de bewezenverklaring van het opzet op levensberoving toereikend met redenen omkleed. Beschouwingen over voorwaardelijk opzet zijn in deze uitleg niet to the point.
Ten overvloede merk ik in dit verband op dat het met het opzet op levensberoving schieten door een deur die toegang geeft tot een kamer waarin iemand half in het raam zit, naar uiterlijke verschijningsvorm gericht is op voltooiing van het misdrijf doodslag.
7.3. Het middel faalt.
8.1. Het zesde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 primair van de dagvaarding met parketnummer 04/050346-00 (poging tot moord) ontoereikend met redenen is omkleed omdat niet kan blijken van voorbedachte raad.
Het hof heeft onder meer voor het bewijs van dit feit gebezigd de verklaring van verdachte (bewijsmiddel 2), inhoudende:
"Ter hoogte van Eindhoven dacht ik dat ik door de politie gevolgd werd. Ik droeg een pistool onder mijn broeksriem. Ik pakte het wapen en laadde het wapen door."
Uit bewijsmiddel 3 valt af te leiden dat verdachte vervolgens heeft geschoten op de bestuurder van een andere auto.
8.2. De Hoge Raad leert dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de op poging tot moord toegesneden tenlastelegging en de bewezenverklaring nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - voldoende is dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.(8) Uit de verklaring van verdachte over wat in hem omging en over wat hij heeft gedaan voordat hij op de andere bestuurder schoot heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad de consequenties van zijn handelen onder ogen te zien. Dat er tussen het moment waarop verdachte een besluit nam en de uitvoering van dat besluit slechts betrekkelijk korte tijd is verlopen doet daaraan niet af.(9)
8.3. Het middel faalt.
9.1. Het zevende middel klaagt dat het hof feit 1 primair van de dagvaarding met parketnummer 04/050346-00 (poging tot moord) enkel had kunnen bewezenverklaren als het hof de bewezenverklaring nader had gemotiveerd.
9.2. Het hof het bewijs dat verdachte heeft geschoten afgeleid uit bewijsmiddel 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8. Verdachte heeft zélf tweemaal ondubbelzinnig verklaard dat híj heeft geschoten. Het is, zoals eerder reeds gezegd, in beginsel voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft behoudens bijzondere gevallen geen motivering. De omstandigheden die de steller van het middel aanvoert leveren geen bijzonder geval op, afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien.
Het eerste opgeworpen punt is in de eerste plaats niet bijzonder en ziet in de tweede plaats over het hoofd dat het hof ook de resultaten van technisch onderzoek voor het bewijs heeft gebezigd. De inhoud van bewijsmiddel 2, waarvan de steller van het middel opmerkt dat dit bewijsmiddel niet uitsluit dat de ander heeft geschoten, noopte niet tot een bijzondere motivering omdat die mogelijkheid theoretisch misschien wel bestaat; maar de waarschijnlijkheid, dat de persoon die het wapen bij zich draagt, dat tevoorschijn haalt en doorlaadt in de veronderstelling dat hij door de politie wordt gevolgd, ook zelf schiet is groter dan de kans dat de passagier het wapen overneemt en het schot lost.
Dat het gebruik voor het bewijs van één uitlating van verdachte aan een onderhandelaar geen recht doet aan de inhoud van de bewijsmiddelen gaat uit van een eis die het recht niet kent. Het staat de rechter vrij uit een grote hoeveelheid gesprekken die onderdelen te selecteren en voor het bewijs te bezigen die hij betrouwbaar en dienstig oordeelt. De rechter mag zo een keuze maken al heeft de verdachte ook andersluidende verklaringen afgelegd.
Hetzelfde geldt voor het als laatste opgeworpen punt over de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte]. Dat de conclusie van het technisch onderzoek luidt dat het sporenbeeld het best past bij de veronderstelling dat de bestuurder van de BMW heeft geschoten is niet onbegrijpelijk. De huls die vermoedelijk bij het schot is uitgeworpen, is in de BMW aangetroffen onder de sluiting van de linkergordel op de achterbank. Aannemend dat degene die heeft geschoten zich iets naar rechts moet hebben gedraaid om de andere auto in het vizier te nemen is het waarschijnlijker dat de bestuurder heeft geschoten dan dat de naast hem zittende passagier dat heeft gedaan. Als [medeverdachte] per ongeluk een schot zou hebben doen afgaan toen hij het wapen wilde ontladen zou het voor de hand hebben gelegen dat het rechterportier van de BMW beschadigd was. Dat is klaarblijkelijk niet geconstateerd, zodat de kogel door het geopend rechterportierraam zal zijn afgevuurd.
Rechtens bestaat er geen verplichting de uitkomsten van technisch onderzoek uit te drukken in een bepaalde waarschijnlijkheidsgradatie, ook al is dat voor sommige onderzoeken door deskundigen wel gebruikelijk.
9.3. Het laatste middel faalt.
10. Het eerste middel is gegrond en de Hoge Raad zal daaraan het gevolg kunnen verbinden dat hem gepast voorkomt. De overige middelen falen. Het tweede, vierde, zesde en zevende middel kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 ROPro ontleende motivering worden verworpen.
11. Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van het eerste middel en overigens tot verwerping van het beroep.
2 Vgl. HR 28 januari 2003, nr. 00599/02, waarin een vergelijkbaar standpunt werd ingenomen, dat meebracht dat de verbalisanten die verdachte hadden verhoord in zo een geval als getuigen ter terechtzitting zouden moeten worden gehoord. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 ROPro ontleende motivering.
3 HR 8 juli 1998, nr. 108.057, rov. 4.3.
4 De officier van justitie had ten aanzien van dat eerste feit zijn voornemen tot vervolging al kenbaar gemaakt ter terechtzitting van de Rechtbank van 21 jubi 2000.
5 EHRM 25 juli 2000, NJB 2000, 40, p. 1836, § 60.
6 HR NJ 1995, 10, m. n.t Corstens.
7 Dat laatste maakt het verschil met HR NJ 1995, 10.
8 HR NJ 2000, 605; HR 11 juni 2002, NJB 2002, 104, p. 1376.