ECLI:NL:PHR:2003:AF9661

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02199/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 AbwArt. 51 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt deels bewezenverklaring valsheid in geschrift bij Algemene bijstandswet

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte was veroordeeld voor valsheid in geschrift betreffende een periodieke verklaring Algemene Bijstandswet over september 1996.

Het hof had geoordeeld dat verdachte valselijk had verklaard geen inkomsten uit arbeid te hebben genoten, terwijl hij een ziektewetuitkering ontving. De verdediging stelde dat het hof ten onrechte de ziektewetuitkering als inkomsten uit arbeid had aangemerkt.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd omdat een ziektewetuitkering niet onder inkomsten uit arbeid valt volgens artikel 47 Abw Pro. De bewezenverklaring was daardoor ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad verbeterde de bewezenverklaring door vast te stellen dat verdachte valselijk had verklaard geen inkomsten uit andere bronnen te hebben genoten en verwierp het cassatieberoep voor het overige.

De Hoge Raad zag geen noodzaak tot vernietiging van het arrest en achtte het mogelijk dat het hof de bewezenverklaring zou corrigeren. Het eerste middel werd verworpen, het tweede middel gegrond verklaard maar zonder cassatie tot vernietiging te leiden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bewezenverklaring dat verdachte inkomsten uit arbeid had en verbetert deze tot valsheid in geschrift omtrent inkomsten uit andere bronnen.

Conclusie

Nr. 02199/02
Mr Machielse
Zitting 3 juni 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 27 april 2001 ter zake van 1 en 2; "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", veroordeeld tot twaalf weken gevangenisstraf.
2. Mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. O.G. Schuur, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de raadsman van verdachte van de zitting van het hof op de hoogte was gesteld, dan wel onvoldoende gemotiveerd van een dergelijk onderzoek heeft doen blijken. De steller van het middel geeft in de toelichting op het middel aan dat verdachte ervan uitging dat de advocaat die hoger beroep heeft ingesteld hem ook verder bij zou staan. Voorts wordt opgemerkt dat uit de in cassatie aan de verdediging verstrekte stukken niet blijkt dat verdachte zich in hoger beroep liet bijstaan door een raadsman, maar dat mogelijk in de Hoge Raad ter beschikking staande stukken aanwijzingen zijn te vinden dat in hoger beroep een raadsman op zou treden.
3.2 In feite is hier sprake van een soort voorwaardelijk cassatiemiddel; de steller van het middel heeft geen concrete aanwijzingen, maar àls bepaalde aanwijzingen van optreden van een raadsman in hoger beroep uit het dossier blijken, dan heeft het hof artikel 51 Sv Pro niet nageleefd. De steller van het middel heeft het echter stelliger geponeerd door te stellen dat zich in het dossier een stelbrief, althans een brief van de raadsman met het verzoek om stukken, dan wel een telefoonnotitie van de griffie van het hof, waaruit blijkt dat de raadsman zich met betrekking tot deze zaak tot het hof heeft gewend, bevindt. Ik kan hierop kort zijn. Het middel mist feitelijke grondslag. Uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat verdachte in hoger beroep door een raadsman werd bijgestaan. De steller van het middel merkt terecht op dat het feit dat een raadsman hoger beroep heeft ingesteld daarvoor onvoldoende is(1).
4.1 Het tweede middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte in de periode van 1 september 1996 tot en met 30 september 1996 inkomsten uit arbeid heeft genoten, terwijl zulks onder 1 wel bewezen is verklaard.
4.2 Ten laste van verdachte heeft het hof onder 1 bewezenverklaard dat:
hij op 30 september 1996 te [woonplaats] een periodieke verklaring ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet, over de periode van 1 september 1996 tot en met 30 september 1996 - zijnde een geschrift waaruit enig recht kon ontstaan en/of dat bestemd was om tot het bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, valselijk, immers in strijd met de waarheid in dat geschrift vermeld - in de periode waarop dat formulier betrekking had - geen inkomsten uit arbeid te hebben genoten te hebben en hebbende hij, verdachte, dat geschrift met zijn naam of handtekening ondertekend, ter bevestiging van de juistheid van de inhoud, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.
4.3 Ten bewijze van dit feit heeft het hof bewijsmiddelen opgenomen die erop neerkomen dat verdachte in de betreffende periode een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) had (bewijsmiddel 2) en dat hij op de periodieke verklaring Algemene Bijstandswet (Abw) op de vraag "heeft u en/of uw partner in de bovengenoemde periode naast de uitkering van de dienst inkomsten ontvangen als loon, alimentatie, uitkering ZW, WAO WW, AOW, onderverhuur van onroerende zaken, giften e.d." het antwoord 'neen' heeft aangekruist (bewijsmiddel 1). Het hof heeft in de aanvulling bewijsmiddelen voorts de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:
(...)
Het hof merkt de inkomsten uit deze uitkering, gelet op het karakter daarvan, aan als inkomsten terzake van (uit) arbeid.
4.4 Het middel keert zich met name tegen deze overweging van het hof. Het oordeel van het hof op dit punt zou - juist gelet op de partiële vrijspraak van het onderdeel inhoudende het in strijd met de waarheid vermelden geen inkomsten uit andere bronnen genoten hebben, waar ook een uitkering onder zou vallen - onbegrijpelijk zijn. Volgens de steller van het middel heeft het hof met de nadere bewijsoverweging op ontoereikende en ontoelaatbare wijze bij aanvulling van het verkorte arrest een fout in de bewezenverklaring willen herstellen.
4.5 In de vraag opgenomen als bewijsmiddel 1 wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten inkomsten, waarbij loon en een Ziektewetuitkering afzonderlijk worden genoemd. In artikel 47, eerste lid onder a van de Abw (oud) is het begrip inkomen gedefinieerd. Afzonderlijk worden daarin vermeld inkomsten uit of in verband met arbeid en sociale-zekerheidsuitkeringen. Hieruit moet worden afgeleid dat onder inkomsten uit arbeid niet vallen inkomsten uit een ziektewetuitkering. De tenlastegelegde woorden zijn kennelijk ontleend aan de tekst van de wet en moeten worden geacht dezelfde betekenis en onderlinge verhouding te hebben als de woorden van de wet. Waar het hof de inkomsten uit de ziektewetuitkering heeft aangemerkt als inkomsten terzake van (uit) arbeid heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De bewezenverklaring is dan ook ontoereikend gemotiveerd. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Het is vervolgens de vraag of dit tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden. Ik acht dat in dit geval niet noodzakelijk. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de overigens zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat het onder 1 tenlastegelegde verwijt slechts kan zien op het in strijd met de waarheid niet vermelden dat gelijktijdig met de bijstandsuitkering een ziektewetuitkering werd genoten. In de termen van de tenlastelegging zijn dat geen inkomsten uit arbeid maar inkomsten uit andere bronnen. Na vernietiging door de Hoge Raad is mijns inziens de enig denkbare door het hof te nemen beslissing, dat de vergissing wordt rechtgezet en dat verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel dat de inkomsten uit arbeid zijn genoten, en dat bewezen wordt verklaard dat verdachte in strijd met de waarheid heeft vermeld geen inkomsten (uit andere bron) te hebben genoten. Het komt mij voor dat Uw Raad, onder deze omstandigheden ook zelf de bewezenverklaring wel kan verbeteren in de zin als hiervoor aangegeven.
4.6 Het middel is (deels) terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
5. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld en kan met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel is gegrond, maar dat behoeft niet tot cassatie te leiden. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot verbetering van de bewezenverklaring onder 2 en verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR NJ 2001, 161