ECLI:NL:PHR:2003:AG3022
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing art. 279 Sv bij verdediging door raadsman bij afwezigheid verdachte
In deze zaak stond de toepassing van art. 279 Sv Pro centraal, die regelt wanneer een raadsman bevoegd is om de verdediging te voeren indien de verdachte niet verschijnt bij de terechtzitting. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld wegens poging tot doodslag en verboden wapenbezit. Tijdens het proces was het onderzoek meerdere malen geschorst en werd het opnieuw aangevangen met een gewijzigde samenstelling van het hof. Op een zitting verscheen de verdachte niet, wel diens raadsman.
De Hoge Raad oordeelde dat de raadsman alleen bevoegd is tot verdediging indien hij uitdrukkelijk verklaart door de verdachte daartoe gemachtigd te zijn. Ontbreekt deze machtiging, dan kan de raadsman slechts het woord voeren over de afwezigheid van de verdachte en verzoeken om aanhouding van de zaak. In het onderhavige geval was geen sprake van een dergelijke machtiging, waardoor het hof ten onrechte de zaak als een procedure op tegenspraak behandelde in plaats van bij verstek.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat het proces-verbaal niet vermeldde dat de verdachte of zijn raadsman het woord ter verdediging hadden gekregen. Tevens werd benadrukt dat de regel dat een verdachte die eenmaal is verschenen niet alsnog bij verstek kan worden behandeld, is verlaten met de invoering van art. 280 Sv Pro. Het hof had daarom verstek moeten verlenen. De conclusie is dat duidelijke afspraken tussen verdachte en raadsman noodzakelijk zijn over de machtiging tot verdediging bij afwezigheid van de verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de raadsman zonder uitdrukkelijke machtiging niet bevoegd was tot verdediging en het hof de zaak ten onrechte als op tegenspraak behandelde.