ECLI:NL:PHR:2003:AG3035
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid kantonrechter tot aangifte meineed en ontvankelijkheid OM
In deze strafzaak werd verdachte door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens meineed. De kantonrechter had tijdens de civiele procedure proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van meineed tegen verdachte. Verdachte stelde dat de kantonrechter niet bevoegd was tot het doen van aangifte van meineed en dat het Openbaar Ministerie (OM) daarom niet ontvankelijk was.
De Hoge Raad overwoog dat in civiele procedures de rechter niet vrij is onverplicht aangifte te doen van strafbare feiten die door partijen ter ondersteuning van hun standpunt zijn meegedeeld, tenzij er een wettelijke verplichting of noodzaak bestaat. Bij vermoedens van misleiding van de rechter, zoals bij meineed, is de rechter wel bevoegd aangifte te doen. In deze zaak was het vermoeden van misleiding door verdachte voldoende om de kantonrechter tot aangifte te laten overgaan.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het opmaken van een proces-verbaal door de kantonrechter op grond van art. 206 Rv Pro geldig was, ondanks het ontbreken van een specifieke regeling voor meineed in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het middel van verdachte werd verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van verdachte ongegrond en bevestigt de ontvankelijkheid van het OM en de bevoegdheid van de kantonrechter tot aangifte van meineed.