ECLI:NL:PHR:2003:AG3126
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid gewone strafkamer bij berechting van economische delicten in samenhang met commune delicten
In deze zaak stond de vraag centraal of de gewone strafkamer van het gerechtshof bevoegd was om te oordelen over een economisch delict dat samenhing met commune delicten. Verdachte was primair en subsidiair beschuldigd van commune delicten en meest subsidiair van een economisch delict. Het hof sprak verdachte vrij van de commune delicten en veroordeelde hem voor het economisch delict.
De verdediging stelde dat het hof zich onbevoegd had moeten verklaren omdat de economische delicten exclusief door de economische kamer moesten worden berecht. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof wel degelijk bevoegd was, aangezien verdachte in eerste aanleg door de gewone strafkamer was berecht en de economische kamer van het hof niet bevoegd was in deze zaak.
De uitspraak bespreekt de wetswijzigingen per 1 januari 2002 waarbij de regeling over de berechting van economische delicten werd overgebracht van artikel 56 naar Pro artikel 45 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad concludeert dat het schrappen van de economische kamers in de wetgeving een vergissing was en dat de gewone strafkamer bevoegd blijft indien het economisch delict samenhangt met commune delicten die aan die kamer zijn opgedragen.
Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad ziet geen reden tot ambtshalve vernietiging van het arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de gewone strafkamer om economische delicten te berechten indien deze samenhangen met commune delicten.