ECLI:NL:PHR:2003:AG3126

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02672/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet inzake de wisselkantorenArt. 39 Wet op de economische delictenArt. 45 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 56 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 60 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid gewone strafkamer bij berechting van economische delicten in samenhang met commune delicten

In deze zaak stond de vraag centraal of de gewone strafkamer van het gerechtshof bevoegd was om te oordelen over een economisch delict dat samenhing met commune delicten. Verdachte was primair en subsidiair beschuldigd van commune delicten en meest subsidiair van een economisch delict. Het hof sprak verdachte vrij van de commune delicten en veroordeelde hem voor het economisch delict.

De verdediging stelde dat het hof zich onbevoegd had moeten verklaren omdat de economische delicten exclusief door de economische kamer moesten worden berecht. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof wel degelijk bevoegd was, aangezien verdachte in eerste aanleg door de gewone strafkamer was berecht en de economische kamer van het hof niet bevoegd was in deze zaak.

De uitspraak bespreekt de wetswijzigingen per 1 januari 2002 waarbij de regeling over de berechting van economische delicten werd overgebracht van artikel 56 naar Pro artikel 45 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad concludeert dat het schrappen van de economische kamers in de wetgeving een vergissing was en dat de gewone strafkamer bevoegd blijft indien het economisch delict samenhangt met commune delicten die aan die kamer zijn opgedragen.

Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad ziet geen reden tot ambtshalve vernietiging van het arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de gewone strafkamer om economische delicten te berechten indien deze samenhangen met commune delicten.

Conclusie

Nr. 02672/02
Mr. Vellinga
Zitting: 17 juni 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Wet inzake de wisselkantoren(1), opzettelijk begaan, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met verbeurdverklaring van DM 1.510,-.
2. Namens verdachte heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat het Hof geen beslissing heeft genomen omtrent de vraag of hij bevoegd was tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.
4. Aan verdachte waren primair en subsidiair een commuun delict ten laste gelegd, het meest subsidiair een economisch delict. De gewone strafkamer van het Hof heeft verdachte vrijgesproken ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde en verdachte veroordeeld ter zake van het meest subsidiair tenlastegelegde economische delict. Over de bevoegdheid van de gewone strafkamer van het Hof om over dit economisch delict te oordelen merkte de voorzitter van de kamer ter terechtzitting van 5 maart 2002 op:
"De voorzitter merkt met betrekking tot het meest subsidiair tenlastegelegde feit op dat dit feit een economisch delict is dat aan de commune kamer ter beoordeling wordt voorgelegd en wijst op de wijzigingen die - in het bijzonder ten aanzien van artikel 56 lid Pro 4 - in de Wet op de rechterlijke organisatie hebben plaatsgevonden. Zij geeft de advocaat-generaal de gelegenheid zich uit te laten voor wat betreft de bevoegdheid van deze kamer van het hof.
De advocaat-generaal deelt mede dat hij zich dienaangaande refereert aan het oordeel van het hof."
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof geen beslissing heeft genomen over zijn bevoegdheid om kennis te nemen van een economisch delict. Volgens de steller van het middel had het Hof zich onbevoegd moeten verklaren.
6. Het middel miskent dat het Hof wel een beslissing heeft genomen over zijn bevoegdheid. Het Hof heeft verdachte immers veroordeeld ter zake van het meest subsidiair tenlastegelegde feit. In die beslissing ligt opgesloten dat het Hof zich bevoegd achtte het meest subsidiair ten laste gelegde economisch delict te berechten. Die beslissing is juist. Verdachte was in eerste aanleg veroordeeld door de gewone strafkamer van de rechtbank en niet door de economische kamer. Daarom was, anders dan het middel wil, de economische kamer van het hof, gezien het bepaalde in art. 38 WED Pro, niet bevoegd in de onderhavige zaak te oordelen, maar de gewone strafkamer (zie art. 60 RO Pro).
7. In de toelichting op het middel wordt de vraag opgeworpen of de gewone strafkamer van een rechtbank onder de huidige wetgeving bevoegd is te oordelen over economische delicten wanneer deze zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten waarvan de berechting aan de gewone strafkamer van de rechtbank is opgedragen. Hoewel uit het voorgaande voortvloeit dat het middel faalt en aan deze vraag dus voorbij kan worden gegaan, zal ik deze vraag gezien het belang daarvan voor de praktijk wel bespreken.
8. Tot 1 januari 2002 was voorzien in berechting door de gewone strafkamer van de rechtbank van economische delicten die waren begaan in samenhang met commune delicten waarvan de berechting aan de rechtbank was opgedragen. Art. 56, vierde lid, (oud) RO luidde immers:
"Voorts vonnissen de rechtbanken in eerste aanleg over economische delicten, waarvan de economische strafkamers volgens de regelen van art. 39, eerste lid, van de Wet op de economische delicten kennisnemen, indien deze delicten zijn begaan in samenhang met één of meer strafbare feiten, waarvan de rechtbanken volgens het eerste lid kennisnemen, mits te zamen ten laste gelegd met één of meer strafbare feiten."
9. Op 1 januari 2002 is in werking getreden de Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de modernisering van de organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten (Stb. 2001, 582). Bij deze wijziging is de in art. 56 RO Pro opgenomen regeling over de behandeling van strafzaken door de rechtbank overgebracht naar art. 45 RO Pro, dat luidt:
"1. De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle strafzaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen.
2. De rechtbanken nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde partij in strafzaken."
10. Het lijkt dat de commune strafrechter door deze wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie niet langer de bevoegdheid heeft kennis te nemen van economische delicten en dat de economische rechter wat dat betreft het alleenrecht heeft te beslissen over deze delicten. Van Woensel merkt in het Handboek Strafzaken op dat de wetgever heeft verzuimd de in artikel 56, vierde lid, RO opgenomen regeling elders een plaats te geven. Daarbij merkt zij eveneens op dat herstelwetgeving in aantocht is.(2) Zij acht het voorts te verdedigen dat, tot de herstelwetgeving van kracht wordt, de commune rechter niet bevoegd is economische delicten te berechten (vgl. A.M. van Woensel, Handboek Strafzaken, [30.1] - p. 1). Corstens stelt evenwel dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de wetgever heeft beoogd de competentie van de gewone kamers van de rechtbanken met betrekking tot samenhangende en tegelijk tenlastegelegde economische delicten te willen afschaffen (G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, 2002, p. 159).
11. De tekst van art. 45 RO Pro is ontsproten aan het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel HRO-II (Kamerstukken II 1995/96, 24 651, nrs. 1-3, p. 5)(3) In de Memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel was voorgesteld art. 56 (oud) RO te vereenvoudigen:
"Artikel 56 - van oudsher een ingewikkelde bepaling, goed voor een groot aantal tentamenvragen, wordt belangrijk vereenvoudigd. Dat is in de eerste plaats het gevolg van de integratie en in de tweede plaats van de - mede daardoor mogelijk geworden - schrapping in de Wet op de economische delicten van de afzonderlijke economische kamers, waarop in onderdeel 2.7. van het algemeen deel al werd ingegaan.
Het nieuw voorgestelde eerste lid bevat de algemene competentiebepaling voor de rechtbank in strafzaken. Zij houdt in, dat de rechtbanken in eerste aanleg kennis nemen van alle strafzaken (dat wil zeggen alle misdrijven en alle overtredingen), tenzij in een bijzondere wettelijke bepaling anders is bepaald.
Het huidige zesde lid wordt, als gevolg van het vervallen van het tweede tot en met het vijfde lid, vernummerd tot tweede lid."
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 651, nr. 3, p. 38)
en
"Ten slotte wordt de Wet op de economische delicten belangrijk aangepast. De bestaande titels VII tot en met X worden daarbij vervangen door één nieuwe titel VII betreffende de berechting van economische delicten.
Als gevolg van de integratie worden de - op dit moment afwijkende - competentieregels betreffende de economische delicten identiek aan de algemene competentie in strafzaken. De bijzondere competentieregels kunnen dus vervallen. Mede in verband daarmee worden de afzonderlijke economische kamers bij de rechtbanken en de hoven geschrapt. Ook daardoor wordt de regeling belangrijk vereenvoudigd. Deze wijziging staat er vanzelfsprekend geenszins aan in de weg dat, zoals ook thans het geval is, deze zaken door gespecialiseerde rechters worden behandeld en beslist. Een wettelijk voorschrift is daarvoor echter niet nodig. Overigens worden in de - op onderdelen afwijkende - procedurele en materiële bepalingen omtrent de berechting van economische delicten geen wijzigingen voorgesteld."
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 651, nr. 3, p. 186, 187)
12. Uit deze toelichting volgt dat het laten vervallen van de regeling vervat in art. 56 lid Pro 4 (oud) RO voortvloeide uit het beoogde schrappen van de economische kamers van de Rechtbanken en de Hoven. De wetgever heeft de economische kamers van de Rechtbanken en de Hoven met hun exclusieve bevoegdheid tot het berechten van economischer delicten echter laten voortbestaan. Kennelijk is dat bij het overnemen van de tekst van het huidige art. 45 RO Pro uit het wetsontwerp 24651 over het hoofd gezien. De wetgever wijdt er immers geen woorden aan waarom art. 56 lid Pro 4 (oud) RO in art. 45 RO Pro niet is overgenomen hoewel de economische kamers zijn blijven bestaan.
13. Zoals Van Woensel al heeft opgemerkt, moet er dus van worden uitgegaan dat de wetgever bij vergissing het vierde lid van art. 56 (oud) RO niet heeft overgenomen in het nieuwe art. 45 RO Pro. Aangenomen moet dan ook worden dat de wetgever nog steeds van oordeel is dat de commune strafrechter ook bevoegd is over economische delicten te oordelen, indien deze delicten zijn begaan in samenhang met één of meer commune feiten, mits tezamen tenlastegelegd met één of meer van die strafbare feiten. De gewone strafrechter was in het onderhavige geval dus bevoegd van het meest subsidiair tenlastegelegde kennis te nemen.
14. Het middel faalt.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De Wet inzake de wisselkantoren is bij Wet van 27 juni 2002, Stb. 2002, 380 ingetrokken en vervangen door de Wet inzake de geldtransactiekantoren (i.w.tr. 19 juli 2002). Deze wet getuigt niet van gewijzigd inzicht in de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit. Zie art. 3 lid 1 van Pro laatstgenoemde wet.
2 Zie voor een bij dezelfde wetgevingsoperatie gemaakte, inmiddels herstelde vergissing in art. 446 Sv Pro de Wet van 31 oktober 2002, Stb.539, in werking getreden 1 januari 2003.
3 Zie Kamerstukken II 1999-2000, 27 181, nr. 3, p. 53).