ECLI:NL:PHR:2003:AG3572

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02842/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 358 SvArt. 359 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het opzettelijk buiten Nederland brengen van grote hoeveelheden drugs

Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens het opzettelijk buiten Nederland brengen van ongeveer 3 kilogram cocaïne, 964 XTC-pillen, 3353,5 gram marihuana en 24983 gram hashish. Het hof achtte bewezen dat verdachte de drugs in zijn auto had verborgen en verwierp het verweer dat een ander zonder zijn medeweten de drugs had geplaatst. Het hof nam daarbij mee dat de auto tijdens het verblijf van verdachte in Nederland niet uit het oog was verloren en op een bewaakt parkeerterrein stond.

Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte had aangenomen dat het verbergen van de drugs tijdrovend was en dat het parkeerterrein bewaakt was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het tijdrovende karakter niet ter verwerping van het bewijsverweer had gebruikt en dat het ontbreken van bewijs voor bewaking het oordeel niet aantastte. Ook was het hof voldoende gemotiveerd in de bewijswaardering en de strafoplegging.

Het hof legde een gevangenisstraf van vier jaar op, hoger dan de eis van drie jaar, met als reden dat verdachte door het smokkelen van grote hoeveelheden hard- en softdrugs de volksgezondheid ernstig had geschaad en het grensoverschrijdende karakter van de feiten. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor het opzettelijk buiten Nederland brengen van grote hoeveelheden drugs.

Conclusie

Nr. 02842/02
Zitting: 17 juni 2003
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens het opzettelijk buiten Nederland brengen van cocaïne, XTC-pillen, marihuana en hashish veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en verbeurdverklaring van een personenauto.
2. Namens verdachte heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de nadere bewijsoverweging van het Hof niet voldoet aan de eisen die de wet, in het bijzonder de art. 358 en Pro 359 Sv jo. art. 6 EVRM Pro, daaraan stelt. In deze overweging wordt gesproken van tijdrovend openen van achterspatschermen. Dat het openen van de achterspatschermen tijdrovend zou zijn blijkt echter, aldus het middel, ten onrechte niet uit de bewijsmiddelen.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"1. hij op 14 april 2001 te Beek, gemeente Bergh, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van Pro die wet;
2. hij op 14 april 2001 te Beek, gemeente Bergh, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer negenhonderdvierenzestig (964) zogenaamde XTC-pillen bevattende MDA en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA (MDEA) en/of 2-CB, zijnde MDA en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA (MDEA) en/of 2-CB, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van Pro die wet;
3. hij op 14 april 2001 te Beek, gemeente Bergh, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3353,5 gram marihuana en/of hennep, zijnde marihuana en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4. hij op 14 april 2001 te Beek, gemeente Bergh, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 24983 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;"
5. Met betrekking tot het bewijs heeft het Hof overwogen:
"Bewijsverweer
Ter zitting is door verdachte en diens raadsman naar voren gebracht de mogelijkheid dat een ander dan verdachte - buiten diens medeweten - de drugs in de auto heeft verstopt. Verdachte zou aldus niet het opzet op het buiten het grondgebied brengen van de verdovende middelen hebben gehad.
Het door en namens verdachte aangevoerde zou betekenen dat een onbekende derde met gebruikmaking van technische hulpmiddelen en gedurende geruime tijd zich zou hebben beziggehouden met het zeer tijdrovende openen van de achterspatschermen van de Volkswagen Beetle en het daarin op zorgvuldige wijze verbergen van een aanzienlijke hoeveelheid pakketten en zakken met verdovende middelen en dat alles buiten aanwezigheid van verdachte.
Verdachte heeft zelf verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in Nederland -naar eigen zeggen ook Amsterdam- deze auto niet uit het oog is verloren en evenmin heeft afgestaan, terwijl voorts vaststaat dat die auto gedurende de nachtelijke uren geparkeerd heeft gestaan op het van buiten af voor een ieder zichtbaar en verlicht (bewaakt) parkeerterrein bij Hotel Campanile te Gouda alwaar verdachte gedurende twee nachten heeft gelogeerd. Niet gebleken is dat zich aldaar enige onregelmatigheden met betrekking tot de auto hebben voorgedaan. Onder deze omstandigheden is het door en namens verdachte aangevoerde zozeer onaannemelijk dat het als niet terzake doende door het hof buiten beschouwing wordt gelaten."
6. Verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof aldaar verklaard dat naar hij schat de douaneambtenaren één à anderhalf uur bezig zijn geweest om de pakketten met verdovende middelen uit de auto te halen. Bij pleidooi heeft verdachtes raadsman aangevoerd dat de douaneambtenaren grote moeite hadden om de verdovende middelen uit de auto te krijgen en dat zij daar speciaal gereedschap voor nodig hadden.
7. In het licht van deze omstandigheden heeft het Hof het verweer, dat een ander dan verdachte buiten diens weten de verdovende middelen in verdachtes auto heeft verborgen, kennelijk aldus verstaan dat ter versterking van dat verweer wordt betoogd dat het verbergen van de verdovende middelen in de auto van verdachte moeilijk en tijdrovend was. Dat de verdovende middelen buiten verdachte om in de auto zijn verborgen heeft het Hof vervolgens als te verwaarlozen mogelijkheid verworpen, omdat - kort gezegd - verdachte zijn auto tijdens zijn verblijf in Nederland niet aan derden heeft afgestaan en niet uit het oog heeft verloren, terwijl de auto gedurende de nachtelijke uren op een (bewaakt) parkeerterrein heeft gestaan.
8. Het Hof heeft het tijdrovende van het verbergen van de verdovende middelen dus niet opgevoerd ter weerlegging van verdachtes verweer maar dit gezien als nadere onderbouwing daarvan. Die uitleg van hetgeen door en namens verdachte ter terechtzitting is betoogd is in het licht van de hiervoor onder nr. 6 genoemde omstandigheden niet onbegrijpelijk en leent zich wegens zijn feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie.
9. Bij de weergave van de inhoud van het verweer spreekt het Hof van verbergen in de achterspatborden van de auto. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdovende middelen waren verborgen aan de binnenzijde van de achterbumper. Het middel klaagt hierover niet. Terecht, lijkt mij, want het gaat in het verweer om het tijdrovende van het verbergen, niet om de plaats waar de verdovende middelen verborgen waren, terwijl voor een schatting van de duur van de daarmee gebezigde tijd vooral de door verdachte gegeven indicatie - één à anderhalf uur voor het verwijderen - bepalend zal zijn geweest.
10. Nu het Hof de in het middel bedoelde tijdrovendheid niet heeft opgevoerd ter verwerping van het bewijsverweer van verdachte, behoeft die tijdrovendheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen te blijken.
11. In de toelichting op het verweer wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het parkeerterrein waarop verdachtes auto in de nachtelijke uren heeft gestaan bij het hotel waarin hij overnachtte, bewaakt was.
12. Deze omstandigheid blijkt inderdaad niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Voorts bevat de bewijsoverweging van het Hof geen enkele indicatie aan welk in het dossier voorhanden bewijsmiddel het Hof het vaststaan van genoemde omstandigheid heeft ontleend.(1) Dat laatste klemt temeer omdat het dossier ook bewijsmiddelen bevat - de in de toelichting op het middel genoemde, tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de nachtportiers - die inhouden dat het parkeerterrein 's nachts summier dan wel in het geheel niet werd bewaakt.
13. Nu is het wel zo dat het Hof het bewaakt zijn van het parkeerterrein in zijn overweging tussen haakjes heeft gezet. Mogelijk heeft het Hof daarmee willen uitdrukken dat deze omstandigheid geen essentieel onderdeel van zijn redenering uitmaakt omdat het bewaakt zijn gezien de inhoud van de in de toelichting op het middel genoemde verklaringen niet zonder meer vaststaat. Dit doet de vraag rijzen of 's Hofs bewijsoverweging de toets van begrijpelijkheid in cassatie zou kunnen doorstaan wanneer het "(bewaakt)" zijn van het parkeerterrein buiten beschouwing wordt gelaten. Dat is mijns inziens zonder meer het geval. Daarom meen ik dat het in de toelichting op het middel gesignaleerde gebrek niet tot vernietiging van het bestreden arrest behoeft te leiden.
14. Het middel is tevergeefs voorgedragen.
15. Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen het ten laste van verdachte bewezenverklaarde opzet niet volgt.
16. Het Hof heeft verdachtes verweer dat mogelijk een ander dan verdachte - buiten diens medeweten - de verdovende middelen in de auto heeft verstopt, verworpen als hiervoor onder nr. 5 weergegeven.
17. Bij de bespreking van het eerste middel heb ik al opgemerkt dat deze overweging mijns inziens in cassatie stand houdt. Dat betekent dat er bij de beoordeling van de toereikendheid van de bewijsmiddelen van moet worden uitgegaan dat uitgesloten is dat verdachte niet wist van de aanwezigheid van de volgens de bewijsmiddelen in verdachtes auto aangetroffen verdovende middelen. Daaruit volgt dat de bewezenverklaring ten aanzien van verdachtes opzet voldoende met redenen is omkleed.
18. Het middel faalt.
19. Het derde middel houdt in dat het Hof een hogere straf heeft opgelegd dan door de Advocaat-Generaal gevorderd doch in strijd met het bepaalde in art. 359 lid 7 Sv Pro niet de bijzondere redenen heeft genoemd die tot die hogere straf hebben geleid.
20. Het Hof heeft met betrekking tot de straf overwogen:
"Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - het feit dat verdachte door zich in te laten met de smokkel van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs de volksgezondheid ernstig in gevaar heeft gebracht. Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het grensoverschrijdende karakter van de feiten. Deze omstandigheden brengen het hof er tevens toe een hogere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal gevorderd.
Het na te melden in beslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het telastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte."
21. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof niet de "bijzondere redenen" als bedoeld in art. 359 lid 7 Sv Pro heeft opgegeven, omdat het Hof als bijzondere redenen voor oplegging van een hogere straf dan gevorderd - vier jaar gevangenisstraf in plaats van de gevorderde drie jaar - dezelfde omstandigheden heeft genoemd die de Advocaat-Generaal hebben gebracht tot de door hem gevorderde gevangenisstraf.
22. De motivering van de straf begrijp ik zo dat het Hof van oordeel is dat de eis van de Advocaat-Generaal niet voldoende recht doet aan de ernst van de feiten zoals deze in de door het Hof genoemde omstandigheden tot uitdrukking komt. Zo gezien heeft het Hof voldaan aan zijn uit art. 359 lid 7 Sv Pro voortvloeiende plicht. Soms bestaan genoemde bijzondere redenen immers in niet meer dan een andere weging van de omstandigheden van het geval. Een overweging waarin dat tot uitdrukking komt is daarom voldoende.(2)
23. Het middel faalt.
24. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Een dergelijke indicatie kan immers voldoende zijn. Zie HR 27 februari 2001, VR 2002, 156 en HR 10-12-2003, 02193/02, NJB 2003, blz. 19, nr.16.
2 Zie bijvoorbeeld HR 16 mei 1989, NJ 1990, 67 en HR 28 april 1992, nr. 91.439, NJB 1992, blz. 408, nr. 159.