ECLI:NL:PHR:2003:AH9906
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schadeloosstelling bij onteigening en keuze tussen voortzetting of liquidatie bedrijf
In deze zaak staat de bepaling van de schadeloosstelling na onteigening centraal. De rechtbank had de schadeloosstelling gebaseerd op de veronderstelling dat de onteigende onderneming binnen negen maanden een vervangend bedrijfspand zou kunnen aankopen, waardoor voortzetting van het bedrijf mogelijk was. De Hoge Raad stelt dat de schadeloosstelling moet aansluiten bij de feitelijke situatie op het moment van inschrijving van het onteigeningsvonnis, of een redelijke verwachting daarvan.
De Hoge Raad constateert dat er op dat moment geen passend vervangend kooppand beschikbaar was, en dat ook de verwachting dat binnen afzienbare tijd een dergelijk pand beschikbaar zou komen, niet reëel was. De rechtbank had ten onrechte de mogelijke beschikbaarheid van een huurpand als vervangende koop gepresenteerd, wat volgens de Hoge Raad niet toelaatbaar is gezien de verschillen in schadeloosstelling.
Hoewel dit betekent dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting hanteerde, betekent het niet automatisch dat de schadeloosstelling op liquidatie moet worden gebaseerd. Het moet nader worden onderzocht of een passend huurpand beschikbaar zou komen of dat liquidatie meer in de rede ligt. Andere middelen van cassatie worden verworpen omdat de rechtbank het tijdstip van schadetoebrenging correct hanteerde en de vergoeding voor stagnatieschade en aanloopschade passend achtte.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar een gerechtshof voor nadere beoordeling. Dit arrest verduidelijkt de criteria voor de bepaling van schadeloosstelling bij onteigening en benadrukt het belang van een realistische inschatting van de marktsituatie op het moment van onteigening.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar een gerechtshof voor nadere beoordeling van de schadeloosstelling op juiste rechtsgrondslag.