ECLI:NL:PHR:2003:AH9924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt redelijk vermoeden van schuld bij afluisteren advocaat in vrouwenhandelzaak
In deze zaak stond centraal het beklag van een advocaat tegen het voortduren van het beslag op documenten en videobanden die tijdens een gerechtelijk vooronderzoek waren in beslag genomen. Dit vooronderzoek was ingesteld naar aanleiding van afgeluisterde telefoongesprekken van een verdachte in een vrouwenhandelzaak.
De advocaat werd verdacht van betrokkenheid bij het beïnvloeden van getuigen, mede op basis van telefoongesprekken tussen de verdachte en zijn vrouw waarin de advocaat werd genoemd. De rechter-commissaris had op grond van deze gesprekken toestemming gegeven tot het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken waaraan de advocaat deelnam.
De advocaat voerde aan dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond en dat de afluistermaatregel niet bevoegd was omdat het gerechtelijk vooronderzoek tegen hem pas later was ingesteld. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechter-commissaris op basis van de beschikbare gegevens en de inhoud van de gesprekken terecht tot een redelijk vermoeden van schuld kon komen.
Het cassatieberoep faalde, mede omdat de inhoud van de gesprekken duidelijk maakte dat met "de advocaat" de verzoeker werd bedoeld. De Hoge Raad concludeerde dat het middel geen verdere toetsing in cassatie kon verdragen en verwierp het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de advocaat wordt verworpen; het afluisteren van zijn gesprekken was rechtmatig en het redelijk vermoeden van schuld is bevestigd.