ECLI:NL:PHR:2003:AI0266
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing provisievordering wegens onduidelijkheid handtekening en beroepsuitoefening
In deze zaak vorderde eiser betaling van provisie van verweerder wegens bemiddeling bij de verkoop van een perceel. Eiser stelde dat er een schriftelijke provisie-overeenkomst bestond, maar verweerder betwistte de echtheid van de handtekening op deze overeenkomst. Een deskundigenrapport kon niet uitsluiten dat de handtekening vals was, waardoor de rechtbank en het hof de overeenkomst niet als bewijs accepteerden.
Eiser voerde ook aan dat hij op grond van artikel 7:405 BW Pro recht had op loon voor zijn werkzaamheden, waarbij hij zich baseerde op verklaringen van verweerder tijdens een comparitie. Het hof oordeelde echter dat niet was komen vast te staan dat eiser de opdracht in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf had gekregen, wat een vereiste is voor loonbetaling op grond van deze wetsbepaling.
Het hof verwierp het bewijsaanbod van eiser als onvoldoende onderbouwd en bevestigde de afwijzing van de vordering. De Hoge Raad concludeerde dat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk had gemotiveerd en verwierp het cassatieberoep van eiser.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de afwijzing van de provisievordering wegens onvoldoende bewijs en het ontbreken van beroepsuitoefening.