ECLI:NL:PHR:2003:AI0360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over betwisting van afstamming en doorhaling kantmelding geboorteakte
In deze zaak staat centraal de vraag of de kantmelding in de geboorteakte van verweerder, waarin staat dat hij is erkend door betrokkene 1, moet worden doorgehaald. De erfgenamen van betrokkene 1 vorderen doorhaling omdat zij stellen dat er geen geldige erkenning heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft de vordering afgewezen omdat verweerder volgens zijn staat en geboorteakte het erkende kind van betrokkene 1 is, en de afstamming daarom niet kan worden betwist.
De Hoge Raad overweegt dat een kantmelding in beginsel moet worden doorgehaald indien vaststaat dat verweerder geen kind is van betrokkene 1, tenzij er sprake is van een rechtsgeldige erkenning. De enkele omstandigheid dat erkenning mogelijk niet heeft plaatsgevonden is onvoldoende voor doorhaling als de materiële situatie juist is. Het Hof heeft echter niet voldoende gemotiveerd of de erkenning geldig kon plaatsvinden volgens het toepasselijke recht van Venezuela, hetgeen relevant is voor de geldigheid van de erkenning.
De Hoge Raad acht het middel gegrond en vernietigt het vonnis van het Hof. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling, waarbij nader onderzoek moet plaatsvinden naar de geldigheid van de erkenning en de afstamming. De Hoge Raad benadrukt dat het bewijs van staat geen beperkingen kent en dat de afstamming volgens de geboorteakte niet zomaar kan worden betwist als de staat overeenkomt met die akte.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van het Hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de geldigheid van de erkenning en afstamming.