ECLI:NL:PHR:2003:AI0368
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij belastingschulden
In deze zaak stond centraal of het verzoek van de schuldenaren tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling terecht was afgewezen op grond van de facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 sub b van Pro de Faillissementswet, namelijk het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan of onbetaald laten van schulden.
De rechtbank had de verzoeken afgewezen omdat de schuldenaar als koppelbaas had gefungeerd en belastingen en premies niet had afgedragen, met een aanzienlijke belastingschuld die deels in 1996 was ontstaan en later was aangevuld met naheffingsaanslagen. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de schuldenaar de indruk niet had kunnen wegnemen dat hij als koppelbaas werkte, mede gelet op zijn voortzetting van de onderneming tot 1999 en de omvangrijke naheffingsaanslagen.
De Hoge Raad overwoog dat goede trouw in deze context een gedragsmaatstaf is waarbij alle omstandigheden relevant zijn, waaronder de aard en omvang van de schulden, het tijdstip van ontstaan, en het gedrag van de schuldenaar. De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten en bevestigde dat het hof de afwijzingsgrond terecht had toegepast, ook gelet op het feit dat de vergrijpboete was kwijtgescholden zonder dat dit automatisch duidde op fiscale goede trouw.
Daarnaast werd bevestigd dat de echtgenote, gehuwd in gemeenschap van goederen, eveneens niet tot de regeling kon worden toegelaten. Het hof gaf aan dat na twee jaar een hernieuwd verzoek mogelijk is, mits de schuldenaren zich aantoonbaar maximaal inzetten voor de belangen van schuldeisers.
De Hoge Raad verwierp het beroep en handhaafde de afwijzing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van goede trouw.