1 Winstuitdelingen worden algemeen beschouwd als onderdeel van het algemenere begrip 'onttrekking', waarbij onder onttrekkingen wordt verstaan "alle verminderingen van het ondernemingsvermogen voor andere dan ondernemingsdoeleinden". Zie J. Verburg, Vennootschapsbelasting, 2000, 2e druk, Kluwer Deventer, blz. 212-215, P.G.H. Albert, Winstgemis, Academisch Proefschrift, Koninklijke Vermande, Lelystad, 1995, blz. 149 e.v., N.H. de Vries, R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht, Vennootschapsbelasting, 2.0.5.B, blz. 103.
2 Deze bevoordeling impliceert een verarming van de vennootschap ten gerieve van haar aandeelhouder; zie ook P.G.H. Albert, a.w, blz. 196 en 212.
3 Zie tevens J. Verburg, a.w., blz. 233, omtrent het begrip winstuitdeling.
4 In gelijke zin HR 22 november 1933, B. nr. 5514, en HR 30 december 1953, BNB 1954/61. In HR 28 mei 1969, BNB 1969/164, werd de eis van dubbele bewustheid echter niet gesteld. J.N. Bouwman, (Wegwijs in de vennootschapsbelasting, Koninklijke Vermande, 2001, blz. 135) stelt dat het dubbele bewustheidsvereiste bij winstuitdelingen van minder belang is indien de aandelen van een uitdelende vennootschap slechts bij één aandeelhouder berusten. De wetenschap van de vennootschap en de aandeelhouder zullen dan volgens deze schrijver veelal dezelfde zijn.
5 Hofstra schrijft in zijn noot onder HR 30 december 1953, BNB 1954/61: "Dat deze interne bedoeling
mag worden afgeleid uit zekere uiterlijke gedragingen en handelingen, zo nodig ook uit het ontbreken van enig
zakelijk motief voor de transactie, spreekt intussen vanzelf. Het komt aan, niet op de interne wil of bedoeling op zichzelf, doch op de bedoelingen van partijen zoals zij in hun gedragingen tot uiting komen".
6 P.G.H. Albert (a.w., blz. 282) merkt mijns inziens terecht op, dat "de objectivering geen doel op zichzelf is" en "uitsluitend plaatsvindt om tot een voor de praktijk werkbare situatie te komen".
7 Zie paragraaf 2.7, conclusie A-G Van Soest, HR 21 september 1994, BNB 1995/16. Zie ook J.C.K.W. Bartel, (Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van (beurs)aandelen, FM 29, Kluwer, Deventer, derde druk, 1999, blz. 64) die van mening is dat naarmate een transactie meer van het gebruikelijke afwijkt, de bewijslast zwaarder op belanghebbende zal rusten.
8 Vergelijk HR 11 november 1992, BNB 1993/46. Zie tevens J. Verburg, a.w., blz. 237.
9 J.G. Verseput, De totale winst in de vennootschapsbelasting, FED, Deventer, 1987, blz. 87.
10 Zie r.o. 4.5 van 's Hofs uitspraak.
11 Idem. Zie tevens onderdeel 9.2 van deze conclusie.
12 Zie r.o. 4.2 van 's Hofs uitspraak.
13 Zie HR 24 september 1980, BNB 1980/332, waar werd overwogen [cursivering; ThG]: "dat kenmerk van een als opbrengst van aandelen in aanmerking komende uitkering in het algemeen is, dat daaraan ten grondslag ligt een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder als gevolg waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldbedrag of andere waarde, gedekt door de daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken."
14 Zie HR 28 december 1955, BNB 1956/56 en HR 17 december 1975, BNB 1976/31. Zie verder J.N. Bouwman, a.w.., blz. 140.
15 Zie ook J.N. Bouwman, a.w., blz. 146.
16 Wet van 23 december 1994, Stb. 934.
17 Zie E.T. Looijenga, Algemeen aanvaarde actuariële grondslagen in de zin van art. 9b Wet IB 1964, Weekblad Fiscaal Recht, 1996/6187, blz. 303 en C.P.M. van Houte, Enige fiscale aspecten van de premiemethode in het licht van art. 9b Wet IB 1964, WFR 1995/6165, blz. 1310. Zie ook de conclusie van A-G Van Kalmthout bij HR 28 september 2001, BNB 2002/54, paragraaf 3.10.
18 Stigter/Ploeg, Levensverzekering, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, negende druk, 1983, blz. 7. Zie tevens Pensioen en andere toekomstvoorzieningen (losbladig), L.G.M. Stevens e.a., Kluwer, Deventer, IV.A. Actuariële aspecten verzorgingsvormen, blz. 26.
19 Zie bijvoorbeeld Nota n.a.v. het eindverslag, TK, zitting 1974/75, 13 004, nr. 8, blz. 17, de noot van M.J.H. Smeets bij HR 14 februari 1973, BNB 1973/173, onder 1, blz. 638, regel 10, en paragraaf 5 van de conclusie van J. Verburg bij HR 14 september 1988, BNB 1989/4, blz. 42, regel 8. G.J.B. Dietvorst e.a., (Pensioengids 2002, Kluwer, Deventer, blz. 330): "Deze opslag kan variëren van 10 tot 20%. In zijn algemeenheid wordt echter uitgegaan van 10%." H. van Barneveld, (Inleiding tot de algemene assurantiekennis, Kluwer, Deventer, 1984, blz. 345), rept niet van gebruikelijke kosten- en winstopslagen: "Voorts kan men op grond van ervaring en overeenkomst de kostenopslag (...) vaststellen. Voeg daar nog een zekere winstmarge (...) bij en de premie staat vast".
20 Zie art. 2, lid 1 en lid 3 Pensioen- en Spaarfondsenwet. Vanaf 1 januari 1995 bepaalt art. 11b Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) (later gewijzigd in: art. 19a Wet LB) welke lichamen als verzekeraar kunnen optreden. Voor wat betreft eigen beheer, verwijs ik naar art. 11b, lid 1 sub d (gewijzigd in: art. 19a lid 1 sub d) Wet LB en lid 2 juncto art. 2, lid 3, Pensioen- en Spaarfondsenwet. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op aanspraken die op 31 december 1994 al bestonden (art. 36 (oud) Wet LB). Zie Fiscale encyclopedie De Vakstudie, deel Vennootschapsbelasting, art. 8, aant. 178F, Inleiding. Voor wat betreft de toegelaten verzekeraars voor gefacilieerde lijfrenteverplichtingen, verwijs ik naar R.E.C.M. Niessen, Brede Herwaardering I en III, Gouda Quint, Arnhem, 1995, blz. 63 e.v.
21 G.J.B. Dietvorst e.a., a.w., blz. 328.
22 Voor een overzicht zie de conclusie van A-G Verburg, bij HR 14 september 1988, BNB 1989/4 (paragraaf 5) en de conclusie van A-G Van Kalmthout, bij HR 28 september 2001, BNB 2002/53 (paragraaf 3).
23 Noot van M.J.H. Smeets bij HR 14 februari 1973, BNB 1973/173, onder 4.
24 Zie verder: J.J. Buijze, Kosten- en winstopslagen in de balanswaardering van pensioen in eigen beheer; wanneer gaat de Hoge Raad om?, Pensioen Magazine, nr. 4, april 2002, blz. 30-33 en A.O. Lubbers, Vijf nieuwe arresten met betrekking tot de waardering van pensioenverplichtingen, Weekblad Fiscaal Recht 2002/6464, blz. 63-70, paragraaf 3.1.
25 Zie bijvoorbeeld paragraaf 1 en 2 van de aantekening van L.G.M. Stevens bij HR 12 oktober 1988, FED 1988/709.
26 Vanaf 1 januari 1995 kan afkoop van pensioenrechten leiden tot sancties in de loonbelasting (art. 11c(oud), art. 19b Wet LB) en de vennootschapsbelasting (art. 23a Wet Vpb. 1969). Voor wat betreft de consequenties van afkoop voor gefacilieerde lijfrentepolissen, zie R.E.C.M. Niessen, a.w., blz. 143 e.v.
27 Zie R.E.C.M. Niessen, a.w., blz. 144.
28 Zie r.o. 4.2. W.J.J. van Buul (Waardering van pensioenen, Gouda Quint, Arnhem, 1992, blz. 86), concludeert derhalve naar mijn mening ten onrechte dat in BNB 1988/202 door de Hoge Raad wordt bevestigd dat de koopsom moet worden verminderd met een kosten- en winstopslag. Zie voorts HR 22 december 1999, VN 2000/5.21, r.o. 3.6.
29 De staatssecretaris heeft afgezien van het instellen van beroep in cassatie tegen de onderhavige uitspraak, onder toevoeging van het volgende: "(...) Indien tot uitgangspunt wordt genomen hetgeen aan een verzekeringsmaatschappij als koopsom voor een lijfrente zou moeten worden betaald, is er voorts geen grond om, zoals de inspecteur voorstaat, deze koopsom nog te verminderen met een korting van 10% voor zijn kosten- en winstopslag van een verzekeringsmaatschappij. (...). " (Brief van 22 november 1973, no. B 73/23356 bij BNB 1974/167).
30 Conclusie A-G Van Soest bij BNB 1985/301, onder c.3, blz. 1666-1667.
31 Zie ook Resolutie, 11 oktober 1984, BNB 1984/321, paragraaf 2 en 4.1 voor wat betreft de zakelijkheid van koopsommen (en/of premies) betaald aan directiepensioenlichamen.
32 Stigter/Ploeg, a.w., blz. 5.
33 Zie onderdeel 6.4 van deze conclusie.
34 Zie ook P.G.H. Albert, (a.w., blz. 221) die van mening is, dat de BV niet zakelijk handelt door lijfrentepremies te bedingen die lager zijn dan de premie die een verzekeringsmaatschappij in rekening pleegt te brengen. De BV handelt onzakelijk als zij de kosten- en winstopslag die verzekeringsmaatschappijen hanteren aan de aandeelhouder laat. Het lijkt de schrijver niet aannemelijk dat de BV met een willekeurige derde een lijfrenteovereenkomst zal aangaan tegen een prijs die onder de verzekeringstarieven ligt.
35 Zie ook P.G.H. Albert, (a.w., blz. 208) die meent dat de Hoge Raad niet de eis stelt dat er ten aanzien van iedere gulden vermogensverschuiving aan het bewustheidsvereiste moet zijn voldaan. De schrijver leidt dit af uit het feit dat de Hoge Raad in HR 1 april 1987, BNB 1987/162, de punten 7.3 en 8.2 van de conclusie van A-G Moltmaker niet over neemt.
36 J.C.K.W. Bartel (a.w., blz. 64) trekt de voorzichtige conclusie dat de bevoordeling objectief door de Hoge Raad wordt vastgesteld, onafhankelijk van het bewustzijn van partijen. Hij voegt daaraan toe dat, "het feitencomplex echter te ondoorzichtig is, om deze lijn definitief te kunnen vaststellen".
37 E. Aardema, noot HR 8 juli 1997 (nr. 32 050), FED 1997/696, in dezelfde zin: zijn noot onder HR 14 april 1999, BNB 1999/326.
38 J.G. Verseput, a.w., blz. 96. Het citaat heeft overigens betrekking op de - door de schrijver onderscheiden - gevallen waarin de rechtshandeling op zich een reëel karakter draagt maar de winstuitdeling schuilgaat in de hoogte der van de vennootschap bedongen prestatie of contraprestatie. In de situaties waarin de uitdeling gevormd wordt door de rechtshandeling zelf, doordat de vennootschap deze alleen is aangegaan om aandeelhouders te bevoordelen, dienen naar de mening van de schrijver alle nadelige gevolgen van de rechtshandeling bij de vaststelling van de winst te worden geëlimineerd. Dit geldt ongeacht of deze gevolgen door partijen waren voorzien of bedoeld.
39 In het cassatieberoepschrift abusievelijk aangeduid als BNB 1975/167.
40 In HR 13 juni 1984, BNB 1984/214 en HR 12 oktober 1988, BNB 1988/334, heeft de Hoge Raad de vaststelling van de Hoven dat geen sprake was van een winstuitdeling door uitkering van de in de balans opgenomen pensioenvoorziening, in stand gelaten. Gezien het feitelijke karakter van de vaststelling, konden deze oordelen in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Hof 's-Gravenhage, 3 oktober 1973, BNB 1974/167, betrof eveneens een uitspraak van feitelijke aard.
41 Pleitnota, blz. 3, paragraaf 3, en het beroepschrift blz. 2.
42 Zie voor feiten van algemene bekendheid: Fiscaal procesrecht, P. Meyjes, bewerkt door J. van Soest, J.W. van den Berge, J.H. van Gelderen, 1997, Kluwer, Deventer, blz. 105-106 en M.C.W. Feteris, formeel belastingrecht, Kluwer, Deventer, 1999, blz. 345. Uit HR 22 december 1999, VN 2000/5.21, r.o. 3.6, valt op te maken dat de Hoge Raad bij afkoop een reductiefactor van 10% niet een feit van algemene bekendheid acht.
43 Zie onderdeel 5.3 en voetnoot 19.