1 Zie daarvoor rov. 1-3 van het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg van 5 oktober 2000 (bevoegdheidsincident), rov. 1 van het vonnis van de Kantonrechter van 19 april 2001 en rov. 16 van het bestreden vonnis van de Rechtbank.
2 Ik vermeld dat er ook over een bevoegdheidsincident gedebatteerd (en beslist) is. Dit is in cassatie niet meer aan de orde.
3 Het pensioenfonds bleek in mei 1994 al een nieuwe brochure te hebben uitgebracht, die op het punt waar het in deze zaak om gaat, duidelijker informatie inhield.
4 "In beginsel"; maar deze clausulering is in zoverre ten overvloede, dat de verdere vereisten voor een beroep op dwaling, zoals causaal verband en "kenbaarheid", in deze zaak niet ter discussie staan. In cassatie kan als uitgangspunt gelden dat in het in eerste aanleg gewezen vonnis van 19 april 2000 is vastgesteld dat [eiser] heeft gedwaald ten aanzien van essentiële informatie met betrekking tot de beëindigingsovereenkomst, en dat het ziekenhuis [eiser] de verkeerde brochure heeft verstrekt en hem mogelijk verkeerd heeft voorgelicht. Dat uitgangspunt is door het in appel gewezen vonnis niet achterhaald.
5 Voor de hier in vogelvlucht besproken rechtsleer kan ik verder verwijzen naar: Pitlo - Cahen, Algemeen deel van het verbintenissenrecht, 2002, nrs. 236 e.v., i.h.b. nr. 240; Asser - Hartkamp 4 - II, 2001, nrs. 173 - 198, i.h.b. nrs. 194 - 195a; Verbintenissenrecht (losbl.), Hijma, commentaar bij art. 228, i.h.b. aant. 136 - 140; Asser - Hijma 5 - I, 2001, nrs. 229 e.v., i.h.b. nrs. 241 en 242; Chao-Duivis, Dwaling bij de totstandkoming van de overeenkomst, 1996, par. 5.5 (p. 285 e.v.). Voor recente(re) rechtspraak verwijs ik naar de in voetnoot 7 aan te halen arresten en naar HR 21 december 1990, NJ 1991, 251, rov. 3.2 - 3.4; HR 18 april 1986, NJ 1986, 747 m.nt. G, rov. 4.1 en 4.2; HR 13 maart 1981, NJ 1981, 442, m.b.t. middel III; HR 30 november 1973, NJ 1974, 97 m.nt. GJS, "omtrent middel II".
6 Zie bijvoorbeeld Verbintenissenrecht (losbl.), Hijma, art. 228, aant. 141.
7 Verbintenissenrecht (losbl.) t.a.p. en de daar aangehaalde arresten HR 16 juni 2000, NJ 2001, 559 m.nt. JH, rov. 3.4 en HR 10 april 1998, NJ 1998, 666 m.nt. WMK, rov. 3.6. In beide aangehaalde arresten werd de vraag in een enigszins andere context onderzocht, maar ik zie geen reden om de in deze arresten aangegeven motiveringseis niet evenzeer van toepassing te achten op een geval als het onderhavige.
8 Zie voor voorbeelden HR 5 februari 1999, NJ 1999, 652 m.nt. PAS, rov. 3.3.1; alinea 6 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 28 mei 1999, NJ 1999, 509; alinea 9 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 30 mei 1997, NJ 1997, 611; HR 25 maart 1994, NJ 1994, 390, rov. 3.4; HR 9 februari 1990, NJ 1991, 146 m.nt. PAS, rov. 3.2; HR 16 juni 1989, NJ 1989, 655, rov.3.3 en 3.4; alinea 2 van de conclusie van wnd. A-G Hartkamp voor HR 25 maart 1988, NJ 1988, 582; HR 12 september 1986, NJ 1986, 267 m.nt. PAS, rov. 3.5; HR 28 september 1984, NJ 1985, 246, rov. 3.3; HR 15 april 1983, NJ 1983, 458 m.nt. PAS onder nr. 457, rov. 3.2; HR 14 januari 1983, NJ 1883, 457 m.nt. PAS, rov. 3.4; HR 5 december 1975, NJ 1976, 223 m.nt. GJS; HR 29 november 1974, NJ 1975, 211 (het in de laatstgenoemde arresten besproken "nadeelsvereiste" wordt niet meer in de destijds aanvaarde vorm gesteld; maar ik meen dat de beperkingen aan de kant van de werkgever als het gaat om het lichtvaardig aannemen dat een werknemer ontslag wenst te nemen of te aanvaarden, in latere rechtspraak zijn gehandhaafd (of zelfs aangescherpt)); Arbeidsovereenkomst (losbl.), Luttmer - Kat, art. 7:667, aant. 15 - 20, met verdere verwijzingen; Arbeidsovereenkomst (losbl.), Heerma van Voss, art. 7:611, aant. 2.2 (p. 32 - art. 7:611); Grapperhaus c.s., Vademecum Ondernemingsrecht, afvloeiingsregelingen, 1999, p. 150 - 151; Vranken, Mededelings-, informatie- en onderzoeksplichten in het verbintenissenrecht, 1989, p. 8 - 9.
9 Zie verder bijvoorbeeld alinea 6 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 26 oktober 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AB2792; HR 15 april 1988, NJ 1988, 951 m.nt. PAS, rov. 3.6; HR 17 januari 1986, NJ 1986, 732 m.nt. PAS, rov. 3; HR 28 mei 1982, NJ 1983, 2, rov. 3.2.
10 Zie voor de "spiegelbeeldige" situatie (namelijk: de - beperkte - spreekplicht van een sollicitant in het licht van de druk die een aspirant-werknemer in die situatie ondervindt) HR 20 maart 1981, NJ 1981, 507, m.b.t. onderdeel 3. Veel verder - en m.i. te ver - gaan de vindplaatsen aangehaald bij Castermans, De mededelingsplicht in de onderhandelingsfase, 1992, p. 9 (voetnoot 30); zie ook de gegevens op p. 68 (voetnoot 60);
11 Ik bedoel dat de werkgever weet van, of rekening moet houden met, de voorstelling die de werknemer zich in dit verband maakt - niet dat de werkgever ook moet weten dat die voorstelling onjuist is.
12 Men kan zich trouwens afvragen of het feit dat een partij bij onderhandelingen de wederpartij een concrete (en relevante) vraag voorlegt, niet meestal een verplichting voor die wederpartij schept om hetzij correct te antwoorden, hetzij duidelijk te maken dat er geen (volledig) antwoord zal worden gegeven; als het gaat om vragen van de met ontslag bedreigde werknemer aan zijn werkgever over relevante gevolgen van het ontslag, acht ik een bevestigend antwoord zonder meer aannemelijk.
Bovendien is het zo, dat het feit dat een partij in een onderhandelingssituatie de wederpartij een vraag voorlegt, van invloed is op de aan te nemen onderzoeksplicht. Want verondersteld dat op de partij die de vraag stelt m.b.t. het onderwerp van de vraag een onderzoeksplicht rustte, kan het stellen van de vraag meebrengen dat aan de onderzoeksplicht is voldaan of dat die onderzoeksplicht wordt opgeheven, zolang de wederpartij niet heeft laten weten dat zij de verlangde inlichtingen niet kan of wil geven.
Langs beide wegen - het scheppen van een verplichting voor de wederpartij van de vraagsteller, en het beïnvloeden van de eventueel op de vraagsteller rustende onderzoeksplicht - kan het feit dat over de informatie die aan dwaling ten grondslag ligt een concrete vraag gesteld is, beslissend verschil opleveren.
De doctrine besteedt weinig aandacht aan dit aspect van dwaling en informatieplichten bij (onderhandelings)partijen (maar zie bijvoorbeeld Chao-Duivis, a.w. p. 258). Toch lijkt het mij verantwoord, aan dit gegeven gewicht toe te kennen; ik erken intussen dat het gegeven in de omstandigheden, beoordeeld in HR 18 april 1986, NJ 1986, 747, geen gewicht in de schaal lijkt te hebben gelegd.
13 Namens het ziekenhuis wordt in cassatie aangevoerd dat de cassatieklachten niet (voldoende) zouden aangeven waar de feitelijke grondslag waarop een beroep wordt gedaan, in de stukken kan worden gevonden. In elk geval voor die feitelijke gegevens die ik in de hiervoor neergeschreven beschouwingen heb betrokken, acht ik die tegenwerping niet doeltreffend. Het gaat daarbij om gegevens die in het partijdebat op de voorgrond hebben gestaan, of die in het eindvonnis in eerste aanleg zijn vastgesteld en door het vonnis in appel niet zijn "overruled". Voor zulke gegevens - zeker als het een weinig omvangrijk dossier als het onderhavige betreft - geldt dat het voor de (cassatie)rechter en de wederpartij in cassatie voldoende duidelijk is, waarmee er rekening moet worden gehouden. Dan kan in redelijkheid niet worden geëist dat ook nog precies wordt aangegeven waar men de gegevens in de stukken kan vinden.
Ik meen dat het zojuist gezegde ook geldt voor de stelling (waarvan de juistheid door de Rechtbank in rov. 26 in het midden is gelaten, zodat die stelling in cassatie veronderstellenderwijs voor juist moet worden gehouden), dat [eiser] van de kant van het ziekenhuis "werd geadviseerd door een medewerker van het ziekenhuis die zich in het bijzonder bezighield met begeleiding en advisering van werknemers inzake de regelgeving bij (de) gedwongen afvloeiing". Reeds het feit dat de Rechtbank dit gegeven expliciet in haar afweging heeft betrokken, rechtvaardigt dat daar in cassatie een beroep op wordt gedaan.
14 Zie bijvoorbeeld (de al aangehaalde arresten) HR 10 april 1998, NJ 1998, 666 m.nt. WMK, rov. 3.7 en HR 21 december 1990, NJ 1991, 251, rov. 3.4. De regels over dwaling beschermen, onder omstandigheden, ook de lichtvaardige of onvoorzichtige wederpartij - die dus zelf beter had moeten oppassen. In de verhouding tussen werkgever en werknemer, waarin de werkgever in de door mij verdedigde opvatting tot op zekere hoogte als hoeder voor de belangen van de werknemer moet optreden, zal dat eerder het geval zijn.
15 Zie over de vraag in hoeverre het bestaan van een verkeersopvatting in cassatie kan worden beoordeeld o.a. Mon. Nieuw BW A 20, Rogmans, 1999, par. 26; Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad, 2000, par. 10.1.2; HR 27 april 2001, NJ 2002, 213 m.nt. JH, rov. 3.6 (zie ook alinea 11 van de conclusie van A-G Hartkamp); HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 69, rov. 3.4.3.