1 Zie voor de vaststelling van de feiten rov. 2.1 t/m 2.4 van het vonnis in eerste aanleg van 6 december 2000 en rov. 2.1 en 2.2 van het bestreden arrest.
2 De Rechtbank heeft in rov. 4.7 van het vonnis van 6 december 2000 aangenomen dat deze maatschap is te duiden als een vennootschap onder firma. Dit oordeel is in appel niet bestreden. Ik merk dit op omdat het Hof steeds over "maatschap" spreekt. Dat het niet (alleen) een maatschap betreft maar een v.o.f. is van belang vanwege de hoofdelijke aansprakelijkheid, die immers niet geldt voor een maatschap als die niet tevens v.o.f. is (art. 7A:1679-1681 BW en art. 18 K.). Overigens heeft de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten in het kader van de maatschap, in de procedure verder geen onderwerp van debat uitgemaakt.
3 Ik wil niet verhelen dat de betekenis van deze uitdrukking mij niet in alle opzichten duidelijk is; maar de strekking van de onderhavige vaststelling is kennelijk, dat er een aanzienlijke mate van persoonlijke en zakelijke verwevenheid binnen de "joint family" bestaat.
4 Ik ontleen de nadere details die ik hier opnoemde aan de vaststellingen op p. 6 en 7 van het bestreden arrest.
5 De inventarisstaat bij het A-dossier vermeldt nog een conclusie van dupliek in cassatie, maar hier is vermoedelijk sprake van een misverstand. De overgelegde conclusie is de conclusie van dupliek in eerste aanleg. Nu van de kant van [eiser] geen schriftelijke toelichting is ingediend, was dupliceren in cassatie ook niet aan de orde.
6 Zie bijvoorbeeld HR 29 april 1983, NJ 1983, 627 m.nt. PAS, rov. 3.2; HR 19 april 1996, NJ 1996, 684 m.nt. PAS, rov. 3.5.
7 Een ander geval waarin een op de wet gebaseerde hoofdelijke aansprakelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar werd geacht blijkt uit HR 6 februari 1998, NJ 1998, 587.
8 "Vaste rechtspraak", zie nog onlangs HR 25 februari 2000, NJ 2000, 471 m.nt. ARB, rov. 3.4; HR 14 december 2001, NJ 2002, 59, rov. 3.4.3; HR 8 februari 2002, NJ 2002, 284, rov. 3.4.2. Brunner - De Jong, Verbintenissenrecht Algemeen, 1999, nr. 32 wijzen er op dat aanvaarding van een verdergaande werking kan meebrengen dat bij overeenkomst vastgelegde of in de wet neergelegde regels worden "gedegradeerd" tot "...een uitgangspunt voor de beoordeling, maar niet een daarvoor in beginsel beslissende factor."; zie verder bijvoorbeeld Asser - Hartkamp 4 - II, 2001, nr. 314a; Verbintenissenrecht (losbl.), Valk, art. 2, aant. 21; Parl. Gesch. van het BW, boek 6, 1981, p. 68 - 69.
9 Zie voor dit motiveringsvereiste bijvoorbeeld HR 14 december 2001, NJ 2002, 59, rov. 3.4.3.
10 Die beoordeling, in de aanstonds aan te halen rechtspraak, vindt overigens meer dan eens plaats in die vorm, dat wordt beslist dat de gebleken feiten geen strijdigheid met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (kunnen) opleveren. Het ligt in de rede dat als het gaat om feiten die (ruimschoots) niet aan de te beoordelen norm beantwoorden, een toetsing in cassatie eerder mogelijk is, omdat dan minder gauw rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid dat feitelijke waardering in grensgevallen een andere uitkomst kan opleveren.
11 Zie bijvoorbeeld HR 11 oktober 2002, NJ 2002, 558, rov. 3.6; HR 8 februari 2002, NJ 2002, 284, rov. 3.5; HR 6 februari 1998, NJ 1998, 587 m.nt. Wattel, rov. 3.5; HR 21 maart 1997, NJ 1998, 219 m.nt. HJS, rov. 3.5; HR 19 april 1996, NJ 1996, 684 m.nt. PAS, rov. 3.6; HR 9 februari 1996, NJ 1996, 745 m.nt. MMM, rov. 3.4.2 - 3.4.7; HR 4 november 1994, NJ 1996, 485 m.nt. WMK, rov. 3.5.
12 Voorbeelden van beslissingen van deze soort zijn HR 28 april 2000, NJ 2000, 430, rov. 3.3.3 (en het naar het eerdere arrest verwijzende HR 20 oktober 2000, NJ 2001, 268, rov. 3.3 en 3.4); HR 22 november 1996, NJ 1998, 567 m.nt. CJHB, rov. 3.6; HR 21 oktober 1994, NJ 1995, 78, rov. 3.3.2; HR 26 oktober 1990, NJ 1991, 22, rov. 4.2.2 en 4.2.3. Zie ook HR 29 november 1996, NJ 1997, 178, rov. 3.6: beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid voor het eerst in cassatie gedaan; verworpen, omdat onderzoek van feitelijke aard vereist zou zijn.
13 Het middel voert bijvoorbeeld niet aan dat de door het Hof gewogen omstandigheden niet kunnen of behoren te leiden tot de door het Hof gevonden uitkomst (en stellen daarmee niet het billijkheidsoordeel waartoe het Hof is gekomen in zijn geheel aan de orde). De klachten zijn gericht tegen (deel-)elementen uit het door het Hof gegeven oordeel.
Ik wil met deze beschouwingen niet suggereren dat de klachten anders hadden moeten worden opgezet. Ik wil alleen aangeven dat ook deze conclusie slechts de deelaspecten van de zaak zal onderzoeken die het middel naar voren haalt. Daarom onthoud ik mij ook van algemene(re) beschouwingen over de toepassing van redelijkheid en billijkheid in verhoudingen zoals die in deze zaak aan de orde zijn.
14 Op p. 3, vierde alinea van de cassatiedagvaarding;
15 Het feit dat iemand "de aangewezene" is om een bepaalde handeling te verrichten, kan een "verbintenisscheppende" bijdrage aan de rechtsverhouding in kwestie leveren. Illustratief daarvoor is de zgn. "overlast-jurisprudentie" van de Hoge Raad, waarin onder omstandigheden een op redelijkheid en billijkheid berustende verplichting van de verhuurder wordt aangenomen om op te treden tegen overlast die één van de huurders aan anderen aandoet (ik noem als voorbeeld HR 27 september 1991, NJ 1992, 131, rov. 3.2.3). Die jurisprudentie berust mede op de gedachte dat de verhuurder over effectievere middelen beschikt dan de gedupeerde huurder(s), om tegen overlast van een andere huurder op te treden - een gedachte die overeenkomst vertoont met de (volgens mij) door het Hof in deze zaak aanvaarde gedachtegang.
16 Op p. 3, vijfde alinea van de cassatiedagvaarding.
17 Zie de Conclusie van Repliek in eerste aanleg, al. 4 en de Memorie van Antwoord m.b.t. grief II (waarnaar het cassatiemiddel verwijst). (In eerste aanleg had [eiser] overigens in de akte uitlating producties van 13 september 2000 wel terloops gesteld dat "..zowel [betrokkene 1] als [verweerder] bestellingen deden"; maar nog daargelaten dat op deze stelling in cassatie geen beroep is gedaan (de vindplaats is namens [eiser] nergens genoemd), meen ik dat het Hof geredelijk aan deze terloopse en niet nader gesubstantieerde bewering (als "onvoldoende onderbouwd") voorbij kon gaan. In appel heeft [eiser] deze stelling niet meer vermeld, terwijl van de kant van [verweerder] wèl meermalen is aangevoerd dat bestellingen door [betrokkene 1] werden gedaan.)
18 Voor het eerst in de cassatiedagvaarding p. 4, eerste alinea (de klacht wordt in de tweede alinea herhaald of uitgewerkt).
19 Ik doel nu op de (overige) klacht van p. 4, tweede alinea van de cassatiedagvaarding.
20 Ik noem als voorbeeld p.3, zesde alinea van de Memorie van Antwoord.
21 In deze klacht wordt ook nog aangevoerd dat de conclusie van het Hof op niets zou steunen en dat het oordeel van het Hof niet inzichtelijk zou zijn en daarmee onvoldoende gemotiveerd. Hier geeft de klacht volgens mij onvoldoende duidelijk aan op welk gebrek in de motivering van het Hof wordt gedoeld. De vaststellingen betreffende de overname van "[B]" behoefden, zoals voor de hand ligt nu [eiser] op dat punt geen tegenspraak had gevoerd, geen nadere motivering.
Ik heb mij afgevraagd of de klacht zo mag worden begrepen, dat de onderhavige vaststellingen van het Hof berusten op niet door partijen aangevoerde feitelijke gronden, dit mede omdat het dossier inderdaad nauwelijks nadere steun voor die vaststellingen biedt. Per saldo lijkt mij echter dat deze - m.i. nogal specifieke - klacht niet in het middel mag worden "ingelezen". Uit het namens [verweerder] gevoerde verweer in cassatie blijkt dat deze die klacht niet uit het middel heeft opgemaakt; en ik meen dat dat ook in redelijkheid niet van [verweerder] kon worden verwacht. Dan zou een extensieve uitleg van de klacht in botsing komen met het beginsel van hoor en wederhoor en met de goede procesorde.
Om deze redenen heb ik de zojuist voor mogelijk gehouden "ruimere" klacht, niet verder onderzocht.
22 Cassatiedagvaarding p. 4, onderste alinea.
23 Al was het maar omdat ik inderdaad in de stukken niets heb aangetroffen wat kan worden uitgelegd als betwisting, van de kant van [eiser], van wat namens [verweerder] op dit punt was aangevoerd.
24 Het heeft mij wel wat verbaasd dat het Hof zich mede op een uit (februari) 2001 daterende voorraad-taxatie heeft georiënteerd, terwijl de leveranties zouden dateren van vóór de staking van de v.o.f. in juli 1998, en terwijl het bedrijf van [B] volgens de (onweersproken) stellingen van [verweerder] nog tot mei 2000 heeft bestaan - want wat zegt de waardering van een winkelvoorraad - naar zijn aard een "vlottende" grootheid - in 2001, als men niet weet wat er in de ruime tussenliggende tijd met die voorraad is gebeurd? Intussen: hieraan moet worden voorbijgegaan, al was het maar omdat het middel over dit punt geen klacht bevat.