ECLI:NL:PHR:2003:AI0873
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vervroegde onteigening en bijkomende voorzieningen bij perceel bosgrond
De zaak betreft een geschil tussen een eigenaar van een perceel bosgrond en de Staat der Nederlanden over vervroegde onteigening van een deel van dat perceel ten behoeve van een rijkswegomleiding. De rechtbank had de onteigening uitgesproken en een voorschot op schadeloosstelling vastgesteld, maar liet een beslissing over bijkomende voorzieningen achterwege.
De eiser stelde cassatie in tegen het vonnis, met klachten over onvoldoende motivering en de beoordeling van ontsluitingsproblemen van zijn bedrijf. De Hoge Raad verwierp deze klachten, stellende dat de ontsluitingsproblematiek niet samenhangt met de onteigening en dus niet in deze procedure aan de orde kan komen.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist over het aanbod van de Staat om bijkomende voorzieningen te treffen, zoals het overnemen van perceelsgedeelten. De Hoge Raad vernietigde het vonnis voor zover het aan een beslissing over deze voorzieningen ontbrak en bepaalde dat de Staat het aanbod gestand moet doen indien de eiser daarvan gebruik wil maken.
De rest van het cassatieberoep werd verworpen. Hiermee werd het vonnis aangepast om de belangen van de onteigende beter te waarborgen in het kader van vervroegde onteigening.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor het ontbreken van een beslissing over bijkomende voorzieningen en de Staat moet het aanbod daarvan gestand doen.