AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vervroegde onteigening en bijkomende voorzieningen bij perceel bosgrond
De zaak betreft een geschil tussen een eigenaar van een perceel bosgrond en de Staat der Nederlanden over vervroegde onteigening van een deel van dat perceel ten behoeve van een rijkswegomleiding. De rechtbank had de onteigening uitgesproken en een voorschot op schadeloosstelling vastgesteld, maar liet een beslissing over bijkomende voorzieningen achterwege.
De eiser stelde cassatie in tegen het vonnis, met klachten over onvoldoende motivering en de beoordeling van ontsluitingsproblemen van zijn bedrijf. De Hoge Raad verwierp deze klachten, stellende dat de ontsluitingsproblematiek niet samenhangt met de onteigening en dus niet in deze procedure aan de orde kan komen.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist over het aanbod van de Staat om bijkomende voorzieningen te treffen, zoals het overnemen van perceelsgedeelten. De Hoge Raad vernietigde het vonnis voor zover het aan een beslissing over deze voorzieningen ontbrak en bepaalde dat de Staat het aanbod gestand moet doen indien de eiser daarvan gebruik wil maken.
De rest van het cassatieberoep werd verworpen. Hiermee werd het vonnis aangepast om de belangen van de onteigende beter te waarborgen in het kader van vervroegde onteigening.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor het ontbreken van een beslissing over bijkomende voorzieningen en de Staat moet het aanbod daarvan gestand doen.
Conclusie
Nr. 1383
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
MR J.W. ILSINK
ADVOCAAT-GENERAAL
Derde Kamer B
Onteigening
Conclusie van 13 juni 2003 inzake:
[Eiser]
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN
1. Feiten en procesverloop
1.1. [Eiser] (hierna: [eiser]) is eigenaar van een perceel bosgrond(1). Een gedeelte(2) van dat perceel is bij KB van 27 november 2001(3) ingevolge art. 72a Ow ter onteigening aangewezen ten behoeve van - samengevat - een omleiding van de rijksweg 773 (N273). In dat KB is [eiser] aangewezen als eigenaar van het te onteigenen perceelsgedeelte.
1.2. Bij exploot van 1 oktober 2002 heeft de Staat der Nederlanden (Verkeer en Waterstaat; hierna: de Staat) [eiser] doen dagvaarden voor de rechtbank te Roermond (hierna: de Rechtbank) en (onder meer) gevorderd te zijner name vervroegd de onteigening uit te spreken van dat gedeelte.
1.3. De Rechtbank heeft op 29 januari 2003 in deze zaak vonnis(4) gewezen. De Rechtbank heeft in dat vonnis (onder meer) de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op € 14.850 en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.
1.4. Tegen dit vonnis heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld, waarbij hij één middel van cassatie, verdeeld in twee onderdelen, heeft voorgesteld.
1.5. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten schriftelijk doen toelichten. In zijn schriftelijke toelichting heeft de Staat zich "bij nader inzien" met betrekking tot het tweede onderdeel gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van het middel
2.1.1. Het eerste middelonderdeel valt - als ik dat middelonderdeel althans goed begrijp - uiteen in drie delen.
2.1.2. Allereerst bevat het de klacht dat de Rechtbank op tien "door [eiser] aangevoerde aspecten (...) niet, althans onvoldoende, [is] ingegaan, zodat de beslissing van de rechtbank onvoldoende met redenen is omkleed". Ik meen dat deze klacht niet voldoet aan de eisen van art. 407, lid 2, Rv. Het citeren van (een groot deel van) de rechtsoverwegingen van het vonnis en het herhalen van die tien "aspecten" kan niet worden aangemerkt als een uiteenzetting waarom die rechtsoverwegingen onvoldoende gemotiveerd zouden zijn. Derhalve faalt deze klacht.
2.1.3. Het onderdeel bevat een tweede klacht, waarin wordt opgekomen tegen een oordeel van de Rechtbank over een door [eiser] aangehaald citaat uit het KB. Die klacht faalt bij gebrek aan belang, aangezien dat oordeel deel uitmaakt van een ten overvloede gegeven rechtsoverweging en de klacht tegen het dragende oordeel faalt (zie § 2.1.2).
2.1.4. Ten slotte bevat het onderdeel een klacht tegen het oordeel dat - samengevat - de problematiek met betrekking tot de ontsluiting van het bedrijf van [eiser] los staat van de onderhavige onteigening. Anders dan deze klacht wil, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het alleszins begrijpelijk.
2.1.5. In dit verband wijs ik nog op - onder meer - HR 17 juni 1987, nr. 1079, NJ 1988, 853 (Helmond / Van Kempen) en HR 23 december 1992, nr. 1146, NJ 1993, 756 (Staat / Van Erp), die de schadeloosstelling betreffen en waarin duidelijk is aangegeven dat een nadeel dat niet door de onteigening of door het werk op het onteigende wordt veroorzaakt geen onteigeningsgevolg is. De Rechtbank heeft hier overwogen dat de problematiek van de ontsluiting niets te maken heeft met de onteigening van het perceel bosgrond. Daarmee is de kous af: deze problematiek kan zo te zien alleen in een bestuursrechtelijke procedure (waarschijnlijk over planschade) aan de orde komen.
2.1.6. Het eerste onderdeel van het middel faalt dus in zijn geheel. Het komt mij voor dat het bepaalde in art. 81 ROPro de Hoge Raad hier goede diensten kan bewijzen.
2.2.1. Het tweede middelonderdeel betreft het aanbod van de Staat aan [eiser] om drie perceelsgedeelten over te nemen voor een bedrag van € 7.000. Het onderdeel betoogt dat art. 54i, lid 1, Ow meebrengt dat de Rechtbank had moeten bepalen dat de Staat zijn bijkomende aanbod gestand zou doen.
2.2.2. Art. 54i, lid 1, Ow luidt:
Behoudens ingeval van nietigverklaring van de dagvaarding of niet-ontvankelijkheidverklaring dan wel ontzegging van de eis, spreekt de rechtbank de onteigening uit met bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling voor de verweerders en bekende, niet betwiste derde belanghebbenden en van de door de onteigenende partij te treffen bijkomende voorzieningen, indien deze in het aanbod zijn opgenomen. (...).
2.2.3. De toevoeging over de bijkomende voorzieningen die in het aanbod zijn opgenomen was vervat in een amendement dat als volgt is toegelicht:(5)
Het komt gewenst voor buiten twijfel te stellen, dat ook bij vervroegde onteigening bijkomende voorzieningen, zoals omtrent afwatering, afscheiding, uitweg, e.d. kunnen worden opgelegd. Uitstel tot het eindvonnis kan deze voorzieningen illusoir maken, omdat zij door het verloop der tijd hun zin kunnen verliezen, doch inmiddels grote schade kunnen veroorzaken.
De indiener van dat amendement heeft daarover verder gezegd:(6)
In artikel 54i is sprake van een geldelijke vergoeding, maar er zijn naast geldelijke vergoedingen dikwijls extra voorzieningen noodzakelijk: erfscheidingen, sloten voor afwatering e.d. Moet dit om latere interpretatieverschillen te voorkomen niet duidelijk in de wet worden opgenomen? Ik heb getracht dit neer te leggen in een amendement (...)
De Minister van Justitie - die het amendement overigens afwees - heeft daarop onder meer geantwoord(7):
Het gaat hierbij om de kwestie van de bijkomende aanbiedingen, die deel uitmaken van het schadevergoedingsrecht. De onteigende heeft recht op schadeloosstelling in geld; dit volgt uit artikel 59. Van de onteigende partij mag worden verwacht dat zij meewerkt om de schade te beperken. De onteigenende partij kan de schade beperken door het uitvoeren van bepaalde werken of door het aanbieden van een vervangend perceel.
Daar bracht de indiener onder meer tegen in(8):
De Minister zegt dat een en ander ook in het eindvonnis kan worden opgenomen. Dat is zo. Het kan dan echter in vele gevallen te laat zijn. Het duurt nogal enige tijd voordat het eindvonnis er is. Tot deze voorzieningen moet men, als het gaat over afwatering van percelen, een herstel van verstoorde drainage of het aanbrengen van een afrastering, al in een vroeg stadium besluiten. Om alle moeilijkheden te voorkomen, meen ik dat het goed is dit expliciet in dit artikel vast te leggen.
2.2.4. Waarschijnlijk had de indiener van het genoemde amendement met "bijkomende voorzieningen" alleen het oog op "bepaalde werken". De tekst van het amendement verplicht echter niet om "bijkomende voorzieningen" daartoe te beperken. De Minister van Justitie sprak in zijn mondelinge reactie op het amendement dan ook over "het aanbieden van een vervangend perceel". Nu de onteigenende partij - kort gezegd - in ieder geval nog tot de inschrijving van het vonnis van vervroegde onteigening het recht heeft om zo'n aanbod in te trekken(9), is er eigenlijk ook weinig dat er tegen pleit om zo'n aanbod aan te merken als een bijkomende voorziening. Ik meen dan ook dat het tweede middelonderdeel terecht wordt voorgesteld. Dat de Staat in zijn schriftelijke toelichting zijn bijkomende aanbod gestand heeft gedaan, maakt dat niet anders. De Hoge Raad dient het dictum van het vonnis van de Rechtbank aan te passen.
3. Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre daaraan ontbreekt een beslissing over de door de Staat aangeboden bijkomende voorzieningen, tot bepaling dat de Staat de bij de dagvaarding gedane aanbieding van bijkomende voorzieningen gestand zal doen voor zover [eiser] zal verklaren daarvan gebruik te willen maken, en voor het overige tot verwerping van het beroep in cassatie.(10)
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie B nummer 625, ter grootte van 53.10 are.
2 Te onteigenen grootte 12 are.
3 KB van 27 november 2001, nr. 01.005698, Stcrt. 7 januari 2002, 4.
4 Zaaknummer 52219 / HA ZA 02-677.
5 Kamerstukken II 1971/72, 10 590, nr. 35.
6 Handelingen II 1971/72, blz. 2461, lk.
7 Handelingen II 1971/72, blz. 2735, rk.
8 Handelingen II 1971/72, blz. 2736, lk.
9 HR 12 juli 2002, nr. 1342, LJN AE5578 (Oosterom / NS Railinfrabeheer).
10 Deze formulering heb ik ontleend aan HR 9 januari 1991, nr. 1118, NJ 1991, 355 (Miedema / Staat).