2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vooropgesteld dat tussen partijen het volgende vaststaat (zie rechtsoverweging 4.2 van 's Hofs arrest):
i) [Eiser] dreef, aanvankelijk met een partner, [betrokkene 1], een handelsonderneming in lederwaren. Deze onderneming was eerst ondergebracht in de vennootschap onder firma International Leather Fashion Boxmeer B.V. i.o. (hierna: ILFB) en later (in de loop van 1990) in de besloten vennootschap Collection Cuir Mondial B.V. (hierna: CCM B.V.).
ii) Tussen de Bank en de door [eiser] gedreven onderneming is een aantal kredietovereenkomsten tot stand gekomen, uiteindelijk resulterend in een krediet van f 850.000,-. Tegenover dit krediet stond een aantal zekerheden.
iii) Bij notariële akte van 19 april 1990 heeft de vader van [eiser], [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), op twee onroerende zaken (niet de echtelijke woning) een recht van derdenhypotheek gevestigd ten behoeve van de Bank tot zekerheid van al hetgeen [eiser], CCM B.V. en twee andere bedrijven van [eiser] aan de Bank verschuldigd zouden zijn. Op diezelfde datum heeft [betrokkene 2] aan zijn echtgenote, de moeder van [eiser] (hierna: [betrokkene 3]) bij notariële akte volmacht verleend tot het namens hem verrichten van rechtshandelingen.
iv) Bij brief d.d. 18 juli 1990 van de Bank aan [betrokkene 2] is door de Bank aan [betrokkene 2] een krediet van f 150.000,- aangeboden onder voorwaarde dat een hypotheek zou worden verstrekt op de echtelijke woning. In deze brief staat vermeld dat dit krediet in beginsel aangewend zou worden tot verstrekking van een lening aan [eiser] (ILFB/CCM B.V.). Bij notariële akte d.d. 23 juli 1990 heeft [betrokkene 3] "handelende voor zich en als schriftelijk lasthebber van haar echtgenoot" een recht van hypotheek gevestigd op de echtelijke woning tot zekerheid voor de terugbetaling van voornoemd door de Bank aan de ouders [eiser] verstrekt krediet.
v) Op 27 augustus 1990 is tussen de Bank en [betrokkene 2] een "algemene kredietovereenkomst" gesloten. Deze overeenkomst is ondertekend door [betrokkene 3] namens [betrokkene 2] en door [eiser] als "kredietnemer".
vi) [Betrokkene 3] is overleden op 15 januari 1991 en [betrokkene 2] is overleden op 26 maart 1991. Hun drie kinderen, [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] waren de enige erfgenamen. [Betrokkene 5] heeft de nalatenschap verworpen, terwijl [betrokkene 4] de nalatenschap heeft aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.
vii) CCM B.V. is op eigen verzoek op 22 januari 1992 failliet verklaard; [eiser] is op 21 januari 1993 failliet verklaard. Beide faillissementen zijn inmiddels opgeheven wegens gebrek aan baten.
viii) Op 25 mei 1993 en op 1 juni 1993 heeft de Bank de drie met een derdenhypotheek belaste panden executoriaal verkocht. Nadat de eerste hypotheekhouders (niet de Bank) waren voldaan is de restantopbrengst onder de notaris verbleven.