ECLI:NL:PHR:2003:AK3574
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid openbaar ministerie bij ontnemingsvordering ondanks niet-tijdige aankondiging
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM) centraal bij een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard omdat niet aannemelijk was geworden dat de betrokkene tijdig was geïnformeerd over het voornemen van het OM om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, zoals vereist in artikel 311 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv).
De advocaat-generaal betoogde dat het ontbreken van een aankondiging in het proces-verbaal niet per definitie tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden, mede omdat de verdachte op de hoogte was van de vordering en deze niet heeft bestreden. Bovendien was bij de medeverdachte wel een aankondiging gedaan, wat impliceert dat de verdachte ook een ontnemingsvordering kon verwachten.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het OM niet-ontvankelijk is. Er was sprake van een kennelijke omissie in het proces-verbaal, waardoor het voornemen van het OM niet was opgenomen, terwijl dit wel was aangekondigd. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.