ECLI:NL:PHR:2003:AL6185
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking inzake onrechtmatige kennisgeving en onttrekking identiteitskaart aan het verkeer
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda waarbij een beklag van verzoekster over de kennisgeving van de officier van justitie inzake een inbeslaggenomen identiteitskaart ongegrond werd verklaard. Verzoekster stelde dat de officier van justitie niet bevoegd was om met het inbeslaggenomen document te handelen alsof het aan het verkeer was onttrokken, omdat zij geen afstand had gedaan van het document.
De Hoge Raad overwoog dat zonder een afstandverklaring als bedoeld in art. 116 lid 2 Sv Pro, het inbeslaggenomen voorwerp alleen door een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan het verkeer kan worden onttrokken. De kennisgeving van de officier van justitie ontbeerde wettelijke grondslag en had geen effect. De Rechtbank had verzoekster in haar beklag niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Verder werd het oordeel van de Rechtbank dat de identiteitskaart vals was, gebaseerd op deskundige verklaringen en proces-verbaal, niet onbegrijpelijk bevonden. De stellingen van verzoekster dat documenten uit Noord-Irak niet zonder meer vals kunnen zijn, werden onvoldoende onderbouwd.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn op art. 116, derde lid, Sv gebaseerde vordering. Tevens werd opgemerkt dat een toekomstige rechterlijke procedure tot onttrekking aan het verkeer mogelijk is, mits wettelijk correct gevolgd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot onttrekking van de identiteitskaart aan het verkeer.