1 De Rechtbank heeft in het in eerste aanleg gewezen eindvonnis (van 4 januari 2001) de feiten vastgesteld (rov. 2.1 t/m 2.15). Tegen die vaststelling zijn in appel geen grieven aangevoerd. Het Hof is dan ook van die feiten uitgegaan (rov. 4 van het bestreden arrest). Ik merk intussen op dat de vastgestelde feiten (ook) een aanzienlijk aantal gegevens betreffen die in cassatie niet meer ter zake doen. Ik volsta daarom met een vrij aanzienlijk bekorte samenvatting.
2 In deze fase van het conflict was [eiser] failliet, zodat het arrest is gewezen tussen [verweerder] c.s. en de curator q.q.
3 Die uitvoerbaar bij voorraad waren verklaard.
4 Zie voor de hier vermelde feiten rov. 3.2 van het in de eerste aanleg gewezen vonnis (eveneens - althans voorzover die feiten hier vermeld worden - in appel niet bestreden).
5 Rov. 5.1 en 5.2 van het bestreden arrest.
6 Ik zal, mede gezien het aanstonds te bespreken arrest van 11 april 2003, de uitdrukking "risico-aansprakelijkheid" (blijven) gebruiken. In de doctrine wordt er overigens over getwist of de hier bedoelde aansprakelijkheid als schuld- dan wel als risicoaansprakelijkheid moet worden aangemerkt; zie van de recentere literatuur bijv. Oudelaar in Civielrechtelijke Executiegeschillen, 1992, p. 169, en in: Recht halen, 2000, p. 71; Van der Kwaak, Trema 2000, p. 12 en WPNR 6358 (1999), p. 402-406; Van Rossum, Aansprakelijkheid voor de tenuitvoerlegging van vernietigde of terzijde gestelde rechterlijke beslissingen, diss. 1990, p. 69-71 (dezelfde schrijfster geeft op p. 24 - 27 een overzicht van oudere literatuur); Brunner, noot (nr. 1) onder HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366. Voor de onderhavige zaak is deze controverse volgens mij niet van belang.
7 De onderhavige zaak vormt een illustratie: de (hoofd)vordering van [verweerder] c.s. in verband met de rekenplicht van [eiser] bestond uit twee van elkaar los staande componenten (waarvan in appel de ene toewijsbaar werd geoordeeld maar de andere niet) - maar werd desondanks als één vordering, voor een gesaldeerd bedrag, geldend gemaakt. Daarentegen werd in dezelfde (appel)procedure de (wettelijke) rente als een afzonderlijke post gevorderd - terwijl die juist bijna altijd als onzelfstandig deel van de vordering tot betaling van de hoofdsom pleegt te worden "meegenomen".
Zowel logica als billijkheid verzetten zich ertegen dat de norm voor aansprakelijkheid wegens onrechtmatig beslag, door dit soort toevalligheden geregeerd zou worden.
8 Om niet telkens deze frase te (hoeven) herhalen zal ik verder meestal spreken van "provisionele maatregelen". Ik ga er daarbij van uit - wel beseffend dat daarover anders kan worden gedacht, en ook wordt gedacht (zie bijvoorbeeld Van Rossum, a.w. p. 26 - 27) - dat voor de rechtmatigheid van provisionele maatregelen in het algemeen, één, voor alle gevallen toepasselijke maatstaf kan worden vastgesteld. Daarbij moet, denk ik, ook (de tenuitvoerlegging van) een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beslissing ten gronde als (gebruik maken van) een provisionele maatregel worden beschouwd.
9 In Nederland worden provisionele maatregelen verhoudingsgewijs veel, en relatief gemakkelijk, aan eisers of verzoekers toegestaan. Van tijd tot tijd wordt op de risico's daarvan gewezen, zie bijvoorbeeld onlangs Tjittes, RMTh 2000/2, p. 65-66. In andere landen is men terughoudender dan in Nederland: voorlopige voorzieningen op de voet van de Nederlandse kort-geding praktijk worden in het buitenland soms met enige afgunst, maar ook wel met verwondering gadegeslagen; en ook het gemak waarmee beslag kan worden gelegd is in Nederland bepaald groter dan bijvoorbeeld in Duitsland of Engeland het geval is. Dit schijnt overigens al zeer lang zo te zijn, zie bijvoorbeeld Van der Kwaak, Het rechtskarakter van het beslagrecht, 1990, p. 25.
Ook aansprakelijkheid wegens achteraf niet gerechtvaardigde provisionele maatregelen wordt in andere landen met minder reserves bejegend dan in de Nederlandse rechtsleer, zie Van Rossum, a.w., hoofdstukken VI en VII.
10 Het aanspraak maken op provisionele voorzieningen onderscheidt zich van de uitoefening van (de meeste) andere processuele bevoegdheden, doordat men aan nog niet (onherroepelijk) ten gronde beoordeelde aanspraken reeds daadwerkelijk uitvoerbare (rechts)gevolgen verbonden wil zien. Dat ligt bijvoorbeeld anders bij de uitoefening van de bevoegdheid om zijn vordering in rechte aanhangig te maken, om van een negatieve beslissing te appelleren, om bewijsincidenten uit te lokken e.t.q. Ofschoon ook dergelijke stappen voor de wederpartij belangrijke, en vaak onaangename gevolgen hebben, leveren zij niet op dat al op de voorhand gevolgen aan een nog te beoordelen rechtspretentie worden verbonden - wat volgens mij rechtvaardigt dat voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitoefening van deze bevoegdheden een andere maatstaf wordt aangelegd (waarbij, met name, minder gewicht toekomt aan de vraag of het recht waarop de betreffende bevoegdheid gericht was, uiteindelijk als deugdelijk wordt beoordeeld of niet); zie over de uitoefening van bevoegdheden in deze categorie bijvoorbeeld Van der Wiel, BW-krant Jaarboek 17, 2001, p. 27-42.
11 In de rechtsleer over dit onderwerp wordt aan het geval van een achteraf slechts gedeeltelijk ongegrond blijkende aanspraak overigens nauwelijks aandacht besteed; zie Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Van Mierlo, inleiding bij boek II titel 4, aant. 2; Vademecum Executie en Beslag (Ynzonides), nr. 2.21 (p. [2]-193 e.v.). Het Duitse recht houdt in § 717 ZPO expliciet met deze mogelijkheid rekening.
Zie voor de aansprakelijkheid wegens, naar achteraf blijkt, ten onrechte aangewende provisionele maatregelen overigens bijvoorbeeld, naast de in voetnoot 6 aangehaalde vindplaatsen (en het arrest van 11 april 2003): HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 m.nt. CJHB, rov. 4.2; HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321, rov. 3.2, 3.3 en 3.4; HR 16 november 1984, NJ 1985, 547 m.nt. WHH en LWH, rov. 3.3; HR 15 april 1965, NJ 1965, 331, "aangaande het tweede middel"; Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Van Nispen, nr. 46.7 (p. [46]-169 e.v.); Broekveld, Derdenbeslag, diss. 2003, p. 676 e.v.; Stein - Rueb, Compendium van het Burgerlijk Procesrecht, 2003, nrs. 9.8, 12.9 en 18.6; Oudelaar, Executierecht, 2003, p. 36; Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, nrs. 245, 334 en 405; Zakboek Beslagrecht (Punt), 1998, p. 20 e.v.; Jansen, Executie- en Beslagrecht, 1990, p. 9 - 11 en p. 303; Van der Kwaak, Het Rechtskarakter van het Beslagrecht, diss. 1990, p. 157 e.v. Zie voor vergelijkbare vragen in verband met het (achteraf ten onrechte blijkende) uitlokken van een faillissement HR 14 december 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AD3957; Polak - Wessels, Insolventierecht deel I, Faillietverklaring, 1999, nr. 1339 (met verdere verwijzingen).
12 Maar het beperken van de omvang van zijn beslag kan voor de beslaglegger riskant zijn als later met aanspraken van derden rekening blijkt te moeten worden gehouden, zie bijvoorbeeld Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, p. 393.
13 Een ruwe benadering van DM 42.891,60.
14 Dit is het bedrag waarop de vordering bij het beslagverlof werd begroot; maar het komt ook ten naaste bij overeen met het bedrag dat in de onderhandelingen tussen partijen in april/mei 1996 aan de orde was (nl.: een door de rechtbank toegewezen hoofdsom van bijna f 117.500, -, de door [verweerder] c.s. gepretendeerde rentevordering van ongeveer f 75.000, -, en kosten (p.m.)).
15 Materieel heeft een conservatoir beslag een effect dat sterk lijkt op het effect van een (voorlopig) rechterlijk bevel: het beslag heeft de uitwerking van een de facto verbod om het beslagobject te vervreemden of te bezwaren. (Ook) daarom verdedig ik dat de hier te beoordelen figuren zo zeer op elkaar lijken, dat een wezenlijk verschillende beoordeling van de gevolgen niet te verantwoorden is.
16 Waarbij aantekening verdient dat deze (twee) vragen lang niet altijd (hoeven te) worden onderscheiden: vaak lopen de gegevens die daarbij beoordeeld moeten worden, in elkaar over.
17 Strikt genomen kan dat ook bij het in alinea 20 als tweede (sub b) omschreven element; maar om de aan het slot van alinea 21 besproken redenen is de marge waarin dat zich realiter zal voordoen, (zeer) beperkt.
18 Zoals in HR 11 april 2003, RvdW 2003, 76 mede aan de orde was.
19 Ik vermeld in dit verband dat (uit het dossier blijkt dat) [eiser] in de procedure waarin zijn schuld jegens de mede-erfgenamen moest worden vastgesteld, had aangevoerd dat een door hem aan zijn moeder (de erflaatster) verleend recht van hypotheek voor een lening van f 160.000, - betrekking had op een schijnhandeling, door hem "in scène gezet" om de verhaalsrechten van een andere crediteur (Stella Artois) te frustreren (waaraan de conclusie werd verbonden dat er in werkelijkheid geen vordering van f 160.000, - bestond, waarmee in het kader van de afrekening tussen de erfgenamen rekening mocht worden gehouden). Ik wil natuurlijk geen oordeel over dit concrete geval uitspreken, maar durf wel de stelling aan dat dit als voorbeeld zou kunnen dienen voor de gedragingen zoals ik die hier op het oog heb.
20 Het middel spreekt nu eens van "misbruik van recht" of "misbruik van bevoegdheid" (waarmee volgens mij telkens op dezelfde norm wordt gedoeld - namelijk de norm die het hof in het bestreden arrest heeft aangelegd) en dan weer van "misbruik van omstandigheden". Dat laatste is de gangbare aanduiding voor een wezenlijk ander leerstuk, waarvan ik meen dat daar - inhoudelijk - in deze zaak geen beroep op is gedaan. Ik houd het erop dat in het middel telkens de zojuist genoemde norm wordt bedoeld.
21 Er bestaat verschil van mening over, of voor aansprakelijkheid vereist is dat degeen die een voorlopige titel verkreeg ook formele stappen ter executie (zoals betekening) heeft genomen, zie bijvoorbeeld Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Van Nispen, nr. 46.7 (p. [46]-169 e.v., met verdere verwijzingen). Ik zou menen dat het erom gaat dat de ene partij, gebruik makend van later ongegrond blijkende rechtspretenties, zodanige stappen tegen de andere heeft genomen, dat de andere partij tot voor haar nadelige consequenties werd genoodzaakt of gedrongen; en dat daarbij niet doorslaggevend mag zijn, welke vorm die stappen precies hebben gekregen. Ik onderken wel dat hier een afbakening nodig kan zijn ten opzichte van de in voetnoot 10 bedoelde gevallen.
22 In de praktijk is het zo dat de enkele handhaving van een beslag op een zaak die door het beslag niet aan de beslagene wordt onttrokken (zoals het geval is bij beslag op onroerende zaken, zolang de beslagene geen behoefte heeft aan vervreemding of bezwaring daarvan) zelden noemenswaardig nadeel voor de beslagene oplevert, en daarom geen schade veroorzaakt. Dat kan tot indruk bijdragen dat aansprakelijkheid in verband met een dergelijk beslag niet (te) snel moet worden aangenomen. Het onderhavige geval kenmerkt zich er echter door dat [verweerder] c.s. blijkbaar niet slechts het aanvankelijk gelegde beslag hebben willen handhaven (althans: vervangende zekerheid hebben verlangd), maar ook hebben aangestuurd op betaling van de in eerste instantie toegewezen (en later aanzienlijk lager vastgestelde) vordering. Het dossier wekt de indruk dat (met name ook) dat laatste - de druk van [verweerder] c.s. om de vordering betaald te krijgen - de liquiditeitsproblemen heeft veroorzaakt of verergerd, die tot de surséance en het faillissement van [eiser] hebben geleid; en dat wanneer [verweerder] c.s. zich, bijvoorbeeld, ertoe hadden beperkt, het beslag te handhaven en over de precieze omvang van hun vordering door te procederen (zonder alvast voldoening aan het in eerste aanleg gewezen vonnis te verlangen), "er niets aan de hand zou zijn geweest". Zie voor stellingen van [eiser] van deze strekking Grief IV uit de memorie van grieven (te lezen in verband met de daar bestreden rov. 5.9 uit het rechtbankvonnis van de eerste aanleg) en p. 5 - 6 van de pleitnota namens [eiser] in appel.
23 Zoals in voetnoot 14 hiervóór besproken is de vordering van [verweerder] c.s. weliswaar in de loop van de tijd inhoudelijk "bijgesteld", maar bleef de (in de appelfase) gepretendeerde vordering materieel ongeveer even groot, als de aanvankelijk begrote vordering.
24 Het hof heeft de in onderdeel 1.5 genoemde omstandigheid dat [verweerder] c.s. ook hadden bedongen dat [eiser] geen hoger beroep zou instellen, niet expliciet besproken. Ik beoordeel dit als begrijpelijk, omdat het hof de stellingen van [eiser] in appel klaarblijkelijk niet zo heeft gelezen, dat ook deze omstandigheid aan de vordering ten grondslag werd gelegd. (Dat blijkt ook uit de rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2). [eiser]'s stellingen noopten er volgens mij niet toe, ze anders te lezen dan het hof heeft gedaan.
25 [eiser] heeft dit volgens het middel wél weersproken; hij verwijst daarvoor naar produktie 8 bij de Conclusie van Repliek, naar p. 3 van de Memorie van Grieven (ad grief 1) en naar de pleitnotities in appel (van [eiser]) p. 5, en produktie 2 daarbij.
26 S.t. mrs. Snijders en Kloppenburg, nr. 2.14.
27 Wat niet verbaast, nu daarover in de feitelijke instanties ook niet getwist is (vgl. bijvoorbeeld de pleitnota namens [eiser] in appel, p. 5 ("ad Grief 3", tweede alinea)).
28 Ik meen dat het hof zelf geen oordeel heeft uitgesproken over de aard van de betreffende termijn(en), maar dat het ervan uit is gegaan dat [eiser] de termijn van de Amev-offerte als fataal aangemerkt wilde zien. (Ook) dat valt echter niet goed te rijmen met wat namens [eiser] gesteld is; zie van [eiser]'s processtukken opnieuw diens (appel)pleitnotities, p. 5; akteverzoek van 19 oktober 2000, p. 3, nr. 5 onderaan; en de Conclusie van Repliek, nr. 10.
29 Voor de beantwoording van deze vraag lijkt mij van aanmerkelijk gewicht het (tussen partijen omstreden) gegeven, wanneer het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof is ontvangen (namens [eiser] wordt het laattijdig aanvoeren van deze klacht immers gerechtvaardigd met de stelling dat de klacht pas na ontvangst van dit proces-verbaal kon worden geformuleerd). Ik meen dat dat gegeven in dit stadium niet vaststaat; en ik zou (ook) partijen, zo mogelijk, de belasting van een nader onderzoek naar dat gegeven bespaard willen zien.
30 HR 2 april 1999, 656 m.nt. prof. mr. S.F.M. Wortmann onder nr. 657; HR 21 januari 1994, NJ 1994, 335; HR 30 maart 1979, NJ 1979, 510.