ECLI:NL:PHR:2003:AL8435
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding bij huwelijkse voorwaarden met Amsterdams verrekenbeding
Partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, behoudens een gemeenschap van inboedel, en een Amsterdams verrekenbeding. De man had schriftelijk verklaard dat bij echtscheiding het vermogen verdeeld zou worden alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vrouw vorderde levering van de voormalige echtelijke woning aan haar tegen vergoeding van de helft van de waarde.
De Rechtbank wees de woning toe aan de vrouw met vergoeding aan de man, maar het Hof verklaarde dit onjuist omdat geen wettelijke gemeenschap van goederen bestond en de verklaring van de man slechts verbintenisrechtelijke gevolgen had. Het Hof oordeelde dat de vrouw geen eigendomsrecht had verkregen en dat de vordering tot levering niet toewijsbaar was.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de brief van 12 december 1991, waarin de man aangeeft dat hij ervan uitgaat dat de vrouw de woning toegedeeld wil krijgen, niet kan leiden tot een leveringsverplichting. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling, waarbij ook de peildatum voor waardering van het vermogen aan de orde kan komen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Hof onterecht te hoge eisen stelde aan de onderbouwing van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel en dat het Hof onbegrijpelijk oordeelde over de waardering van aandelen en de peildatum. De zaak wordt derhalve voor verdere behandeling en beslissing terugverwezen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de leveringsverplichting en peildatum.