1 Rov. 3.1 - 3.3 van het vonnis in de eerste aanleg van 13 december 1995.
2 Rov. 8 en 9 van het eindarrest.
3 Dit zo zijnde, kan worden voorbijgegaan aan het namens Aegon ingebrachte verweer dat slechts tegen het eindarrest cassatieberoep is ingesteld (en middelen zijn ingebracht), terwijl het onderhavige punt al definitief was afgedaan in het interlocutoire arrest van 20 april 1999. Ik beschouw dat verweer overigens als niet-doeltreffend. Een cassatieberoep tegen een eindarrest behoort te worden opgevat als tevens gericht tegen voorafgaande (tussen)arresten, voorzover het middel beslissingen uit zulke tussenarresten bestrijdt. Dit voor het appelprocesrecht nog niet zo heel lang aanvaarde beginsel (HR 26 oktober 2001, NJ 2001, 665, rov. 3.4; HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 509 m.nt. HJS, rov. 3.2; HR 14 oktober 1983, NJ 1984, 47 m.nt. WHH, rov. 3.5) had in cassatie al eerder ingang gevonden, zie bijvoorbeeld alinea 31 van de conclusie van A-G Ten Kate bij het arrest uit 1983. Bovendien vermeldt de cassatiedagvaarding in dit geval expliciet dat het beroep ook tegen het tussenarrest gericht is; en betreft het middel onder nrs. 1 en 2 onmiskenbaar (ook) de beoordeling van de tegen Aegon gerichte vordering uit dat tussenarrest.
4 Zie bijvoorbeeld Van Huizen c.s., Grondslagen verzekeringsrecht, 1999, p. 85 - 86; Scheltema-Mijnssen, Polak's Handboek voor het Nederlandse Handels- en Faillissementsrecht deel 4, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, 1998, p. 135 - 136; Clausing, Inleiding verzekeringsrecht, 1998, p. 73; Wery, Hoofdzaken verzekeringsrecht, 1995, p. 25; Van der Burg, Schade- en sommenverzekeringsrecht, 1990, p. 24 - 26.
5 Scheltema-Mijnssen, a.w. p. 138; Wery, a.w. p. 31 - 34; Van der Burg, a.w. p. 24.
6 Van Huizen c.s., a.w. p. 87; Scheltema-Mijnssen, a.w. p. 138; Wery, a.w. p. 29 - 30; zie ook het (geschrapte) art. 7.17.2.3 en, bijvoorbeeld, Salomons, Verzekering ten behoeve van een derde, diss. 1996, p. 168 e.v.
7 Zie voor interessante voorbeelden van minder voor de hand liggende "belangen" Van Huizen c.s., a.w., p. 86 en 87.
8 Van Huizen c.s., a.w., p. 87.
9 In dit verband moet overigens onderscheid worden gemaakt tussen het verzekerbare aansprakelijkheidsbelang van de bruiklener of huurder (dwz. diens belang bij het risico van aansprakelijkheid, wanneer de zaak niet onbeschadigd aan de bruikleengever/verhuurder kan worden teruggegeven), en het belang bij het voortgezette genotsrecht. Ofschoon bijvoorbeeld in het kader van onteigening, het verlies van genotsrechten van een huurder wel als een schadefactor voor vergoeding in aanmerking komt, is verzekering van dit belang, naar ik meen te weten, een zeldzaamheid; en dat geldt ongetwijfeld in aanmerkelijk versterkte mate voor het gebruiksbelang van de (informele) "gebruiker"/bruiklener.
10 Zie intussen voor wat [verweerder] c.s. betreft ook alinea 15 hierna.
11 Zie hierover bijvoorbeeld Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nrs.162 - 163, 216 - 224 en 254 - 256; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep (etc.), 2001, nrs. 16 - 19 en 61 - 82.
In de discussie over toetsing, door de appelrechter, van in de eerste aanleg onbehandeld gebleven stellingen van de appellant kies ik voor de duidelijkheid die Snijders - Wendels, a.w. nr. 224 en Ras- Hammerstein, a.w. p. 71 verdedigen, en niet voor de nuancering t.a.v. stellingen die in de eerste aanleg "impliciet" zijn beoordeeld waarop Snijders - Wendels, a.w. p. 216 zinspeelt. Eenvoudiger gezegd: als de eiser in eerste aanleg in het ongelijk wordt gesteld, moet deze als appellant alle gronden die hij in appel beoordeeld wenst te zien, voldoende duidelijk naar voren brengen; en moet de appelrechter aan gronden die door de appellant in eerste aanleg zijn aangevoerd maar die in appel niet (opnieuw) naar voren zijn gebracht, voorbij gaan, ongeacht of de eerste rechter daarover expliciet, impliciet of helemaal niet heeft geoordeeld. De andere opvatting zou een zodanige uitholling van het "grievenstelsel" en daarbij een dusdanige verzwaring van de positie van de verweerder in appel meebrengen, dat die niet aanvaard behoort te worden.
12 Zie alinea 3 van de "Akte na memorie van antwoord" van 2 september 1999.