ECLI:NL:PHR:2003:AL8481
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling griffierecht in renvooiprocedure faillissement volgens formele uitleg Wtbz
In deze zaak gaat het om de vraag welk griffierecht van toepassing is op een renvooiprocedure ex art. 122 Faillissementswet Pro. Gerling Namur Kredietverzekeringen N.V. wenste als schuldeiser te worden toegelaten in het faillissement van Suned International B.V.. De rechtbank kende een vordering toe, waarna hoger beroep werd ingesteld. De griffier stelde het vast recht vast op basis van art. 2 lid 3 sub d Wtbz Pro, het proportionele tarief voor een eis strekkende tot betaling van een bepaalde geldsom. Zowel de curator als Gerling Namur kwamen hiertegen in verzet, stellende dat het om een verificatieprocedure gaat en dus het vaste lage tarief van art. 2 lid 3 sub f Wtbz Pro van toepassing is.
Het hof oordeelde dat een eis in een renvooiprocedure formeel strekt tot betaling van een geldsom, zodat het proportionele tarief terecht werd toegepast. De Procureur-Generaal vorderde cassatie in het belang der wet omdat deze uitleg strijdig zou zijn met de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie. Volgens de wetsgeschiedenis moet de eis strikt formeel worden uitgelegd, en een verificatieprocedure is gericht op erkenning van de vordering, niet op betaling.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en stelt dat het vast recht in renvooiprocedures moet worden berekend volgens het vaste lage tarief van art. 2 lid 3 sub f Wtbz Pro. Dit voorkomt belemmering van de rechtsgang en beheerst de faillissementskosten. De uitspraak benadrukt dat het financieel belang niet doorslaggevend is, maar de formele aard van de eis bepalend is voor de tariefbepaling.
Uitkomst: Het vaste lage griffierecht van art. 2 lid 3 sub f Wtbz is van toepassing op renvooiprocedures in faillissementen.