ECLI:NL:PHR:2003:AL8483
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontzegging omgangsrecht wegens strijdige belangen en onrust tussen ouders
In deze zaak staat de vraag centraal wanneer de rechter het recht op omgang tussen een kind en de niet met het gezag belaste ouder kan ontzeggen op grond van zwaarwegende belangen van het kind. De vader had na beëindiging van de relatie met de moeder het kind erkend en verzocht om een omgangsregeling. Diverse voorlopige regelingen werden getroffen, maar de omgang werd door de moeder beëindigd na incidenten en spanningen.
De rechtbank en het hof stelden vast dat er geen minimaal vertrouwen en communicatie mogelijk was tussen de ouders, wat noodzakelijk is voor een omgangsregeling. Het opleggen van een omgangsregeling zou de strijd tussen de ouders verergeren en schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het kind. De Hoge Raad bevestigde dat het recht op omgang slechts kan worden ontzegd indien dit in het belang van het kind is, en dat onrust en spanningen die het kind treffen een geldige grond vormen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van de vader dat het hof een onjuiste rechtsopvatting zou hebben gehuldigd. Het hof had terecht geoordeeld dat de omgang, vanwege de spanningen en onrust die het kind daardoor ondervindt, met zwaarwegende belangen van het kind in strijd is. Het oordeel van het hof is feitelijk en kan in cassatie niet worden herzien. Daarmee werd het beroep van de vader verworpen.
Uitkomst: Het recht op omgang van de vader met het kind wordt ontzegd vanwege de strijdige belangen en onrust die schadelijk zijn voor het kind.