ECLI:NL:PHR:2003:AM0218

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00755/03 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WarenwetArt. 234 EG-VerdragArt. 2.11 Richtlijn 92/46/EEGArt. 3 lid 2 Warenwetregeling ZuivelbereidingArt. 1 lid 1 Richtlijn 92/46/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van Richtlijn 92/46/EEG op melkverwerkingsinrichting en redelijke termijn cassatie

In deze zaak stond de vraag centraal of het bedrijf van verdachte viel onder de werkingssfeer van Richtlijn 92/46/EEG betreffende melkverwerkingsinrichtingen. Verdachte voerde aan dat zijn bedrijf geen melk verwerkte en dat de producten niet rechtstreeks bestemd waren voor menselijke consumptie, waardoor de Richtlijn niet van toepassing zou zijn.

Het hof concludeerde echter dat ook bedrijven die door anderen geproduceerde zuivelproducten verwerken of verpakken onder de Richtlijn vallen. Dit om te voorkomen dat een schakel in de productieketen buiten de controle zou blijven. Het bedrijf van verdachte, waar kaas wordt behandeld en verpakt, werd daarom als melkverwerkingsinrichting aangemerkt en viel onder de Warenwetbesluit Zuivel en Warenwetregeling Zuivelbereiding.

Verdachte verzocht om aanhouding van de zaak om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de werkingssfeer van de Richtlijn duidelijk is. Daarnaast klaagde verdachte over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad stelde vast dat de termijn van 8 maanden was overschreden en besloot tot strafvermindering.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en bevestigde de toepassing van de Richtlijn op het bedrijf van verdachte, waarmee de geldboete van €1000,- gehandhaafd blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt toepassing van Richtlijn 92/46/EEG op het bedrijf van verdachte en kent strafvermindering toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 00755/03 E
Mr Machielse
Zitting 7 oktober 2003 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 1 mei 2002 voor overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 13 van Pro de Warenwet, veroordeeld tot een geldboete van € 1000,-.
2. Mr T. van de Goot, advocaat te Leeuwarden, heeft cassatie ingesteld. Mr J. Boksem, eveneens advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel stelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het bedrijf van verdachte valt onder de werkingssfeer van Richtlijn 92/46/EEG en dat het hof prejudiciële vragen had moeten stellen aan het Hof van Justitie. De stelling van de verdediging is steeds geweest dat de Richtlijn niet van toepassing was op het bedrijfsproces dat bij verdachte werd toegepast. In het bedrijf van verdachte worden producten op basis van melk behandeld en verpakt en doorverkocht aan afnemers die die producten weer verwerken tot producten voor onder meer menselijke consumptie. Die producten zijn niet rechtstreeks voor menselijke consumptie bestemd en daarom geen onderwerp van de Richtlijn. Bovendien wordt er in het bedrijf van verdachte geen melk verwerkt.
Het arrest houdt het volgende in:
Verzoek tot aanhouding.
Namens verdachte is ter terechtzitting van het hof verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde:
- een prejudiciële vraag te stellen krachtens art. 234 EG Pro-Verdrag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen omtrent de werkingssfeer van Richtlijn 92/46/EEG van de Raad van Ministers d.d. 16 juni 1992, PB nr. L268 (hierna : de Richtlijn),
- de beslissing af te wachten op het namens verdachte bij de Minister van WVS ingediende bezwaarschrift tegen het niet verlenen van een erkenning als melkverwerkingsinrichting in de zin van art. 2.11 van de Richtlijn en van art. 3 lid 2 Warenwetregeling Pro Zuivelbereiding van 24 februari 1999, Stcrt. 1999, 42.
De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de werkingssfeer van de Richtlijn zich, voor zo ver in casu van belang, beperkt tot het behandelen en verpakken van produkten op basis van melk, die zijn aan te merken als eindprodukten in de produktieketen en die derhalve rechtstreeks voor de menselijke consumptie zijn bestemd. De Richtlijn, alsmede de regelgeving die (mede) ter uitvoering van de Richtlijn tot stand is gekomen, zou derhalve niet zien op de activiteiten van verdachte, die grondstoffen levert aan de producenten van eindprodukten in deze zin.
Blijkens de considerans is met de Richtlijn beoogd voorschriften te geven voor de gehele produktie van produkten op basis van melk. Art. 14.1 van de Richtlijn draagt de Lid-Staten op erop toe te zien dat de exploitant of de beheerder van de melkverwerkingsinrichting de relevante voorschriften van de Richtlijn in alle stadia van de produktie naleeft. Hieruit vloeit voort dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan omtrent de werkingssfeer van de Richtlijn, zodat voor toepassing van art. 234 EG Pro-Verdrag geen grond aanwezig is en evenmin voor het aanhouden van de zaak teneinde de beslissing op het voornoemde bezwaarschrift - waarvan blijkens mededelingen van de raadsman ter terechtzitting van het hof de behandeling is geschorst ten behoeve van overleg met de Keuringsdienst van Waren - af te wachten.
Voorts heeft het hof onder het hoofd "verwerping verweren" het bovenstaande, voor zover betrekking hebbend op de omvang van de Richtlijn en de daarop gebaseerde wetgeving, met een kleine aanpassing herhaald.
3.2. Volgens de considerans heeft Richtlijn 92/46/EEG de strekking gezondheidsvoorschriften te geven voor de productie en het in de handel brengen van melk en producten op basis van melk, met onder meer als nader doel het garanderen van een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid. Voorschriften moeten worden gegeven voor de gehele productie van producten op basis van melk. Ik citeer uit de considerans:
Overwegende dat de hygiënevoorschriften van toepassing moeten zijn op de produktie, de verpakking, de opslag en het vervoer van de in deze richtlijn bedoelde produkten;
Er moet een erkenningsprocedure komen voor de inrichtingen die aan de eisen voldoen.
Het eerste lid van art. 1 van Pro de Richtlijn luidt als volgt:
Artikel 1
1. Bij deze richtlijn worden gezondheidsvoorschriften vastgesteld voor de produktie en het in de handel brengen van rauwe melk, van warmtebehandelde consumptiemelk, van melk voor de bereiding van produkten op basis van melk en van produkten op basis van melk, bestemd voor menselijke consumptie.
Artikel 2 geeft Pro enige definities, waaronder die van een 'melkverwerkingsinrichting';
11. "melkverwerkingsinrichting", een inrichting en/of een produktiebedrijf waar melk en produkten op basis van melk worden behandeld, verwerkt en verpakt;
Voorts bepaalt art. 7 het Pro volgende:
A. Produkten op basis van melk moeten:
1. (...)
2. worden toebereid in een melkverwerkingsinrichting die voldoet aan de normen en voorschriften van bijlage B, hoofdstukken I, II, V en VI, en die wordt gecontroleerd overeenkomstig artikel 10, lid 2, en artikel 14;
(etc.)
De uitwerking van de eisen is te vinden in de bijlagen bij de Richtlijn. Bijlage B noemt de Algemene voorwaarden voor de erkenning van melkbehandelings- en melkverwerkingsinrichtingen. Hoofdstuk I van bijlage B geeft eisen waaraan lokalen waar grondstoffen en in de richtlijn bedoelde producten worden opgeslagen moeten voldoen. Die eisen komen grotendeels overeen met de eisen die gelden voor de plaatsen waar de grondstoffen worden gehanteerd, geprepareerd en verwerkt en waar de in de richtlijn bedoelde producten worden bereid.
3.3. Uit dit samenstel van bepalingen en uit de toelichtende considerans is op te maken dat ook bedrijven die andermans zuivelproducten verwerken of verpakken tot de melkverwerkingsinrichtingen moeten worden gerekend. De bedoeling van de Richtlijn zou worden ondergraven indien verwerkings- en verpakkingsbedrijven die niet aan een zuivelproductiebedrijf zijn verbonden niet zouden behoeven te voldoen aan de gestelde voorwaarden. Dan zou immers een belangrijke schakel in de keten van dier naar menselijke consument worden onttrokken aan de controle die de Richtlijn nu juist over die gehele keten wil doen uitoefenen.
Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen afgeleid en kunnen afleiden dat het bedrijf van verdachte een melkverwerkingsinrichting is in de zin van de Richtlijn. In verdachtes bedrijf worden immers partijen kaas behandeld en verpakt in de keten die uiteindelijk tot menselijke consumptie leidt (bewijsmiddelen 1 en 4). Daarmee staat ook vast dat het Warenwetbesluit Zuivel(1) en de Warenwetregeling Zuivelbereiding(2) op verdachtes bedrijf van toepassing zijn. Het hof heeft het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie op goede gronden afgewezen.
Het eerste middel faalt.
4. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn en is gegrond. Op 3 mei 2002 is cassatie ingesteld, het dossier is op 4 april 2003 bij de Hoge Raad ontvangen. Aldus zijn tussen beide momenten 11 maanden verstreken waar de door de Hoge Raad gehanteerde inzendingstermijn acht maanden bedraagt.
Deze schending zal tot een door de Hoge Raad vast te stellen strafvermindering dienen te leiden.
5. Het eerste middel faalt. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging behoort te leiden.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase de opgelegde straf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Besluit van 25 oktober 1994, Stb. 813
2 Regeling van 19 mei 1995, Stcrt. 105.