ECLI:NL:PHR:2003:AM0241
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsrechtelijke en procedurele normen bij doorzoeking en tenlastelegging in drugszaak
In deze strafzaak werd verdachte veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hashish en hennep. De verdediging stelde onder meer dat de doorzoeking onrechtmatig was omdat de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) mondeling meer informatie aan de recherche had verstrekt dan in het schriftelijke rapport stond, wat bewijsuitsluiting zou moeten rechtvaardigen.
De Hoge Raad oordeelde dat de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, die voorschrijft dat informatie van informanten alleen via een proces-verbaal van het hoofd CIE aan derden mag worden verstrekt, niet strekt ter bescherming van de verdachte. Het hof had terecht geoordeeld dat de informatie in het CIE-rapport voldoende aanleiding gaf voor de doorzoeking en dat het ontbreken van vermelding van mondelinge informatie geen schending van rechten van verdachte opleverde.
Daarnaast werd geklaagd over een vermeende valsheid in geschrift doordat de dagvaarding een geperforeerd gat vertoonde op de plaats van de hoeveelheid hashish. De Hoge Raad stelde vast dat dit een hersteloperatie betrof door de politierechter of griffier en dat de integriteit van de rechtspraak niet was aangetast. Ook was geen sprake van schending van het recht op een duidelijke tenlastelegging, aangezien het hof de tenlastelegging correct had weergegeven in het arrest.
De Hoge Raad verwierp alle cassatiemiddelen en bevestigde daarmee het oordeel van het hof en de rechtmatigheid van het strafproces en de bewijsvoering.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor het opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hashish.