ECLI:NL:PHR:2003:AM2313

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/179HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 401a RvArt. 75 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep inzake renovatieovereenkomst en betalingsgeschil

Deze zaak betreft een geschil over de renovatie van een pand en de betaling van werkzaamheden. Eiser vordert onder meer ontbinding van de overeenkomst en betaling van een hoofdsom met rente en schadevergoeding. Verweerder vordert betaling van onbetaald gelaten meerwerk.

De rechtbank heeft een comparitie gelast en verdere beslissing aangehouden. Het hof heeft in een tussenarrest het tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak terugverwezen voor voortzetting. Eiser stelde alleen tegen dit tussenarrest cassatieberoep in.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 401a Rv cassatie tegen een tussenarrest niet mogelijk is, tenzij het hof anders bepaalt of een uitzondering geldt. Dit is hier niet het geval, zodat eiser niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. De klachten worden niet inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het is ingesteld tegen een tussenarrest zonder toestemming van het hof.

Conclusie

Rolnr. C02/179
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 19 september 2003
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Het gaat in deze zaak, die handelt over de renovatie van het aan eiser tot cassatie, [eiser], in eigendom toebehorende pand [adres] te [plaats] door verweerder in cassatie, [verweerder], thans uitsluitend over de ontvankelijkheid van [eiser] in zijn cassatieberoep.
Voorzover in cassatie van belang vermeld ik het volgende procesverloop.
1.2 [Verweerder] heeft [eiser] bij inleidende dagvaarding van 16 november 1994 gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage en, na eisvermeerdering, gevorderd de betaling van een bedrag van in totaal ƒ 53.215,07, zijnde het door [eiser] onbetaald gelaten bedrag ter zake van (meer)werkzaamheden (met rente en kosten).
1.3 [Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie, na eisvermeerdering, een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder] het werk niet per 14 juli 1994 of enige eerdere of latere datum behoorlijk heeft opgeleverd, voorts (voorwaardelijk) ontbinding van de overeenkomst met [verweerder] en ten slotte de betaling van een hoofdsom van in totaal ƒ 284.167,22 (met rente) alsmede schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
[verweerder] heeft de eis in reconventie gemotiveerd bestreden.
1.4 De rechtbank heeft bij vonnis van 17 februari 1999, in conventie en reconventie, een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.5 [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, onder aanvoering van zeven grieven.
1.6 Het hof heeft bij arrest van 21 maart 2001, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, [verweerder] toegelaten door getuigen te bewijzen dat hij de dertien gebreken vermeld in het proces-verbaal van oplevering van 6 juli 1994 binnen drie maanden na die datum heeft hersteld.
1.7 Na enquête en contra-enquête heeft het hof bij arrest van 27 februari 2002 het vonnis van de rechtbank van 17 februari 1999 bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor voortprocederen.
1.8 [Eiser] heeft uitsluitend tegen het arrest van 27 februari 2002 beroep in cassatie ingesteld en heeft ook uitsluitend daartegen zeven middelonderdelen aangevoerd. [Verweerder] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep en subsidiair tot verwerping daarvan. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft daarbij niet gereageerd op het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 Het bestreden arrest is gewezen na 1 januari 2002, zodat daarop het thans geldende art. 401a Rv. van toepassing is(2).
Volgens deze bepaling is tussentijds cassatieberoep van een tussenarrest, niet zijnde een uitspraak waarbij een voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd, niet mogelijk, tenzij de rechter anders heeft bepaald of artikel 75, eerste lid, Rv. van toepassing is.
2.2 Het arrest van het hof dient te worden aangemerkt als een tussenarrest, aangezien in het dictum het tussenvonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Dat het thans bestreden arrest een tussenarrest is, wordt in cassatie ook niet bestreden.
2.3 Op grond van inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad(3), kan volgens art. 401a lid 2 Rv. beroep in cassatie van dit arrest slechts tegelijk met het eindarrest worden ingesteld, aangezien het hof niet anders heeft bepaald en de overige in dit artikel vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn.
[Eiser] is derhalve niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep, zodat ik bespreking van de verschillende klachten in het cassatiemiddel achterwege laat.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverkaring van [eiser] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie voor een volledige weergave van de tot dusver als vaststaand vastgestelde feiten rov. 1.1 t/m 1.9 van het vonnis van de rechtbank te Den Haag van 17 februari 1999, waarvan ook het hof in rov. 1 van zijn arrest van 21 maart 2001 is uitgegaan.
2 Zie art. VII lid 2 van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580 en daarover de in noot 3 genoemde jurisprudentie.
3 Zie HR 31 januari 2003, RvdW 2003, 32; JOL 2003, 80; HR 31 januari 2003, RvdW 2003, 33; JOL 2003, 81 en HR 16 mei 2003, JOL 2003, 281.