ECLI:NL:PHR:2003:AM2314
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over betekenisvereisten domiciliekeuze bij betekening in hoger beroep
In deze zaak stond centraal of de vermogensschade van een slachterij door uitbraak van mond- en klauwzeer onder de dekking van een industrieverzekering viel. Het cassatieberoep richtte zich echter op de vraag of het hof terecht had geoordeeld dat de appelinstantie was geëindigd doordat het verstek werd geweigerd wegens onjuiste betekening.
De kern van het geschil betrof de geldigheid van de domiciliekeuze van de verweerder ten kantore van haar advocaat in de eerste aanleg. Het hof oordeelde dat een verklaring van de advocaat namens de partij niet volstond als akte van domiciliekeuze, waardoor de betekening niet rechtsgeldig was en het verstek moest worden geweigerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof te zware eisen stelde aan het bewijs van domiciliekeuze en dat een schriftelijke verklaring van de advocaat namens de partij wel als akte van domiciliekeuze kan worden aangemerkt. Daarmee werd het arrest van het hof vernietigd en verwezen voor verdere behandeling.
De uitspraak verduidelijkt de uitleg van artikel 343 Rv Pro (oud) en artikel 1:15 BW Pro omtrent domiciliekeuze en betekening in hoger beroep, en benadrukt dat de procespraktijk hiermee rekening moet houden. De Hoge Raad reserveerde de beslissing over de kosten van het cassatiegeding voor de einduitspraak.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.