ECLI:NL:PHR:2003:AN7304
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van binnendringen op balkon als onderdeel besloten lokaal en redelijke termijn hoger beroep
In deze zaak stond de vraag centraal of het betreden van een balkon, dat via balkondeuren toegankelijk is en onderdeel uitmaakt van een besloten lokaal, valt onder het begrip 'binnendringen' zoals bedoeld in artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte was veroordeeld wegens het wederrechtelijk binnendringen in een besloten lokaal, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
De verdediging voerde onder meer aan dat het balkon geen lokaal zou zijn in de zin van de wet, omdat het via een ladder van buitenaf bereikbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat een aan een pand geconstrueerd balkon integraal deel uitmaakt van het besloten lokaal en dat het betreden van het balkon via een ladder tegen de wil van de gebruiker als binnendringen moet worden beschouwd.
Daarnaast werd een verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep. De Hoge Raad stelde dat hoewel de zaak relatief eenvoudig was, de overschrijding niet aan het openbaar ministerie kon worden toegerekend en dat een overschrijding in de regel leidt tot strafvermindering en niet tot niet-ontvankelijkheid.
De Hoge Raad verwierp beide middelen en bevestigde het arrest van het hof, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een geldboete, bij gebreke van betaling te vervangen door hechtenis.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens binnendringen op het balkon als onderdeel van het besloten lokaal en verwerpt het verweer van overschrijding van de redelijke termijn.