ECLI:NL:PHR:2003:AN7540
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij tussenvonnis in echtscheidingszaak met huwelijkse voorwaarden
In deze echtscheidingszaak tussen de man en de vrouw staat de afwikkeling van hun boedel op grond van huwelijkse voorwaarden centraal. De man kwam in hoger beroep tegen een tussenvonnis van de rechtbank, dat onder meer een bewijsopdracht bevatte en de zaak terug verwees voor verdere behandeling. Het hof vernietigde dit vonnis en verwees de zaak terug, waardoor het arrest als een tussenarrest werd aangemerkt.
De kern van het geschil in cassatie betrof de ontvankelijkheid van het beroep van de man. De Hoge Raad verduidelijkte dat op grond van het huidige procesrecht (art. 401a Rv) een cassatieberoep tegen een tussenarrest slechts gelijktijdig met het eindarrest kan worden ingesteld, tenzij het hof anders bepaalt of uitzonderingen van toepassing zijn.
Omdat het arrest van het hof een tussenvonnis vernietigde en de zaak terug verwees zonder een eindbeslissing te geven, kwalificeert het als een tussenarrest. De man had geen toestemming van het hof voor tussentijds cassatieberoep, waardoor zijn beroep niet-ontvankelijk is verklaard. De Hoge Raad bevestigde hiermee de vaste jurisprudentie omtrent tussenvonnissen en cassatieprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man is niet-ontvankelijk verklaard omdat het arrest van het hof een tussenarrest is en geen toestemming voor tussentijds cassatieberoep was verleend.