1 In het bestreden arrest wordt daarvoor verwezen naar rov. 1.1 t/m 1.14 van een in eerste aanleg op 10 juni 1998 gewezen (tussen)vonnis; maar het hof heeft in rov. 2.3 zelf een samenvatting van de relevante feiten gegeven, die ik op mijn beurt zal samenvatten. In cassatie wordt niet over de vaststelling(en) van de feiten geklaagd. Ik wijs er intussen op dat in de schriftelijke toelichting namens de eisers tot cassatie een groot aantal feiten te berde worden gebracht die niet op vaststellingen uit de feitelijke instanties berusten, en waarop ook in de cassatiedagvaarding geen beroep is gedaan. Ik meen dat in cassatie aan wat de eisers tot cassatie in dit verband aanvoeren (daarom) voorbij zal moeten worden gegaan.
2 Daarmee worden, naar ik aanneem, de eerder aangeduide feiten en resultaten bedoeld - wat precies bedoeld is maakt voor de verdere beoordeling geen doorslaggevend verschil.
3 Hiermee bedoelt het hof kennelijk de akte van 31 maart 1995 waarbij aan [eiser] c.s. de economische eigendom werd overgedragen.
4 Het arrest van het hof is (met instemmende noot van Bos) gepubliceerd in Jur. Milieurecht 2002, 103.
5 Asser-Hijma 5-I, 2001, nr. 335. Zie verder: Parl. Gesch. Invoering Boeken 3, 5 en 6, Boek 7, 1991, p. 121 en p. 125; Bijzondere Overeenkomsten (losbl.), Van Rossum, art. 17, aant. 4; T&C Boeken 6, 7 en 8, 2003, Castermans en Krans, art. 7:17, aant. 3; Jongeneel - Klik, Koop en Consumentenkoop, 2002, p. 38 - 40; Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken, 1999, p. 64; Wessels, Mon. Nieuw BW B65a, Koop: algemeen, 1997, p. 47 e.v.; een rechtsvergelijkend overzicht bieden Sandrock, Vertragswidrigkeit der Sachleistung, diss. 2003, i.h.b. p. 47 - 74 en p. 95 - 104; zie daarnaast Paquay, Conformiteit en risico in het nieuwe kooprecht, diss. 1992, hfdst. III.
6 Met dien verstande dat de feitelijke waardering een grotere rol speelt naarmate het geval meer "eigen", en niet eenduidig kwalificeerbare omstandigheden vertoont. Gevallen die aan een algemeen "normaaltype" beantwoorden kunnen wel degelijk in cassatie worden beoordeeld, zoals HR 15 april 1994, NJ 1995, 614 m.nt. CJHB laat zien.
7 Asser-Hijma 5-I, nrs. 335, 337 en 346; Bijzondere Overeenkomsten (losbl.), Van Rossum, art. 17, aant. 11; T&C Boeken 6, 7 en 8, 2003, Castermans en Krans, art. 7:17, aant. 3; Jongeneel - Klik, Koop en Consumentenkoop, 2002, p. 39 en p. 41; Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken, 1999, p. 66 - 67.
8 Voor een greep uit de veelheid aan literatuur over het genoemde meningsverschil verwijs ik naar Asser-Hijma 5-I, 2001, nr. 233, 242 en 337; Wessels, Mon. Nieuw BW B65a, Koop: algemeen, 1997, p. 49 - 50; Brunner noot bij HR 2 april 1993, NJ 1995, 94; Chao-Duivis, Bouwrecht 1994, p. 572 (waar gereageerd wordt op de uitgebreide beschouwingen over het onderwerp in de context van mededelingsplichten, in de dissertatie van Castermans); Vranken, Mededelings-, informatie- en onderzoeksplichten in het verbintenissenrecht, 1989, p. 197 e.v.; Asser - Schut 5-I, 1981, p. 120 e.v.
9 Men kan zich omstandigheden voorstellen waarin de verhouding tussen verkoper en koper zo moet worden begrepen, dat de verkoper bereid is voor de "normale" gebruikseigenschappen van de verkochte zaak in te staan, mits uit onderzoek (van de koper) geen gebreken naar voren komen. Dat lijkt mij echter bepaald uitzonderlijk. Meestal zal het zo zijn dat in het feit dat de koper niet mag vertrouwen dat (de koopovereenkomst ertoe strekt dat) de gekochte zaak vrij van gebreken is (en er daarom een onderzoeksplicht aan de kant van de koper bestaat), besloten ligt dat de verkoper (ongeacht de uitslag van eventueel nader onderzoek) voor gebreken géén aansprakelijkheid aanvaardt.
10 Het wat sleetse adagium "caveat emptor" betekende dan ook (toen dat nog opgeld deed) niet zo zeer, dat de koper op zijn tellen moest passen, als wel dat de koper het risico moest dragen voor tegenvallers waar (ook) de verkoper niet op bedacht hoefde te zijn.
11 Voor een beroep op dwaling kan het intussen, denk ik, wèl verschil maken of de koper daadwerkelijk aan een te zijnen laste aangenomen "onderzoeksplicht" heeft voldaan. Als dat het geval is geldt immers niet meer, als wegingsfactor in het nadeel van de koper, dat deze een risico op de koop toe heeft genomen zonder zich terzake goed op de hoogte te stellen.
Daarmee is dan overigens de vraag van de risicoverdeling nog niet opgelost. Het feit dat de koper "goed heeft uitgekeken" betekent immers, ook in dit verband, niet noodzakelijkerwijs dat de verkoper een zekere mate van risicoverdeling heeft aanvaard. Dat moet ook hier aan de hand van waardering van de omstandigheden worden beoordeeld; zie voor een niet-alledaags praktijkgeval HR 10 oktober 2003, zaaknr. C02/149HR, rechtspraak.nl LJN nr. AI0306, i.h.b. rov. 3.3.2 (en de conclusie van A-G Timmerman, al. 3.10).
12 Een volgend voor de hand liggend gegeven is dan, dat men over de duiding van de betreffende omstandigheden/partijbedoelingen en over de aan een dergelijke clausule te geven uitleg, gemakkelijk van mening kan verschillen. Illustratief is HR 28 januari 2000, NJ 2000, 575 m.nt. WMK (zie vooral rov. 3.4), en de commentaren die dat arrest heeft uitgelokt. Die zijn opmerkelijk, doordat met grote stelligheid diametraal verschillende interpretaties van de in die zaak aan de orde zijnde bekendheidsclausule(s) als evident juist worden verdedigd - zie bijvoorbeeld Van Dunné, AAe 2000, p. 459 e.v. en WPNR 6426, p. 887 e.v. tegenover Vlaardingen, WPNR 6410, p. 514 e.v. en WPNR 6426, p. 890 e.v. Zelf ben ik geneigd A-G Hartkamp in (alinea 5 van) zijn conclusie vóór het genoemde arrest na te zeggen: "Dat aan de verkoper geen verontreiniging bekend is, kan van alles betekenen.". Zie ook Van Rossum, NTBR 2000, p. 246.
13 Asser - Hartkamp 4-II, 2001, nr. 194; Asser-Hijma 5-I, 2001, nrs. 242 e.v.; en bijvoorbeeld het in voetnoot 11 genoemde arrest van 10 oktober 2003, zijn in dit verband illustratief.
14 HR 28 november 1997, NJ 1998, 658, rov. 3.3.2. In de doctrine wordt gesteld dat het uitzonderlijk is dat een stilzwijgende garantie mag worden aangenomen: Tjittes, diss., 1994, p. 172; Wessels, NbBW 1993, p. 9; Van Rossum, bijvoorbeeld in WPNR 6075, p. 7; zie ook Van Rossum, NTBR 1994, p. 40 en diss. 1991, p. 89; Vranken, WPNR 6030, p. 915; Broekema-Engelen, Bouwrecht 1993, p. 463-464.
15 Zie ook de bespiegelingen (over een enigszins uitzonderlijke variant) in voetnoot 9 hiervóór.
16 Het middel bedoelt hier kennelijk een ander risico dan het risico, dat het verkochte het onvermoede gebrek van bodemverontreiniging zou blijken te vertonen. Dat (laatstgenoemde) risico is, in de door het hof aan de rechtsverhouding van partijen gegeven uitleg, niet op enig moment in de loop van de transactie op [eiser] c.s. "overgegaan", maar is van begin af aan bij [eiser] c.s. "geplaatst".
17 Met de voor de hand liggende kanttekening, dat op ná de "overgang" plaatsgevonden verontreiniging allicht geen enkele aanspraak jegens [verweerder] c.s. viel te baseren.