ECLI:NL:PHR:2003:AO0418

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/042HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:196 BWArt. 2:198 BWArt. 233 RvArt. 426a lid 2 RvArt. 479g Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt nietigheid pandrecht op aandelen zonder notariële akte

In deze zaak betwistte verzoeker het executoriaal beslag op aandelen in Auto Palace B.V. die door verweerder 1 waren gelegd op aandelen gehouden door verweerder 2. Verzoeker stelde dat hij aan verweerder 2 een geldlening had verstrekt en dat Auto Palace B.V. tot zekerheid een pandrecht had gevestigd op onder andere vorderingen op derden, waaronder volgens verzoeker ook de aandelen vielen.

De rechtbank wees het verzoek van verzoeker af omdat niet was voldaan aan de vereiste van een notariële akte voor het vestigen van een pandrecht op aandelen, en omdat Auto Palace B.V. niet de houder van de aandelen was. Het hof bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af.

Verzoeker stelde in cassatie dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan de stellingen van verweerder 2, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep wegens onvoldoende motivering en het feit dat de stellingen van verweerder 2 in een eerdere procedure niet relevant waren voor het cassatieberoep.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het vereiste van een notariële akte voor levering en pandrecht op aandelen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de aandelen blijft gehandhaafd.

Conclusie

Rek. nr. R03/042HR
mr. L. Timmerman
Parket, 7 november 2003
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerder 2]
1. Feiten en procesverloop
1.1 Verweerder in cassatie sub 1 (verder: [verweerder 1]) heeft executoriaal beslag doen leggen op aandelen door verweerder sub 2 (verder: [verweerder 2]) gehouden in Auto Palace B.V. [Verweerder 1] heeft bij verzoekschrift aan de rechtbank te Rotterdam op de voet van art. 479g Rv. verzocht te bepalen dat en binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van deze aandelen wordt overgegaan en op welke wijze en onder welke voorwaarden deze verkoop zal dienen plaats te vinden.
1.2 In de onderhavige zaak heeft verzoeker tot cassatie, (verder: [verzoeker]), bij verzoekschrift van 17 juni 2002 de rechtbank Rotterdam verzocht zijn verzet tegen de verkoop van de in executoriaal beslag genomen aandelen in Auto Palace B.V. gegrond te verklaren en het beslag op te heffen. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij aan [verweerder 2] een geldbedrag in verbruikleen heeft verstrekt en Auto Palace B.V. tot zekerheid van betaling een pandrecht heeft verstrekt op, onder andere, alle vorderingen van Auto Palace B.V. op derden. Volgens [verzoeker] vallen onder deze vorderingen op derden ook de aandelen in Auto Palace B.V., zodat deze aandelen geen onbezwaard eigendom zijn van [verweerder 2] en het beslag op de aandelen opgeheven dient te worden.
1.3 Ter mondelinge behandeling van het verzoek heeft [verweerder 1] gesteld dat uit de akte van verpanding niet blijkt dat het pandrecht op de aandelen gevestigd is.
1.4 Bij beschikking van 2 augustus 2002 heeft de rechtbank de vordering van [verzoeker] afgewezen.(1) De rechtbank heeft aan haar beslissing ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat onder de door Auto Palace B.V. verstrekte zekerheden niet vallen de aandelen in Auto Palace B.V., omdat deze vennootschap niet de houder van de aandelen in Auto Palace B.V. is.
1.5 [Verzoeker] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het hof te 's-Gravenhage. [Verzoeker] heeft in zijn eerste grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het beslagexploit geen gebreken kent, c.q. alle vormvoorschriften door de deurwaarder in acht zijn genomen. De tweede grief richtte zich tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank dat de aandelen in Auto Palce B.V. niet zijn verpand.
1.6 [Verweerder 1] heeft een verweerschrift ingediend en de grieven weersproken. [Verweerder 2] heeft eveneens een verweerschrift ingediend; voorts heeft hij incidenteel appel ingesteld en verzocht het verzoek van [verzoeker] toe te wijzen. Vervolgens is de zaak ter zitting van het hof mondeling behandeld.
1.7 Bij arrest(2) van 25 februari 2003 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
1.8 [Verzoeker] heeft tijdig(3) cassatieberoep ingesteld. [Verweerder 1] noch [verweerder 2] heeft een verweerschrift ingediend. Het verzoekschrift is niet nader toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het middel richt zich tegen rechtsoverweging 4 van de beschikking van het hof:
"Het hof acht het door [verweerder 1] aangevoerde juist, waartoe het volgende wordt overwogen.
Zowel voor de levering van aandelen in een besloten vennootschap als voor het vestigen van een pandrecht daarop is krachtens de artikelen 2:196 en 198 BW een notarieel verleden akte vereist. Uit de overgelegde akte van verpanding van Auto Palace B.V. blijkt dat deze zekerheden aan [verzoeker] heeft verschaft, maar niet dat een pandrecht op de aandelen in Auto Palace B.V. is gevestigd.
Auto Palace B.V. is ook niet de eigenaar/houdster van deze aandelen. Noch door een eventuele toepasselijkheid van de algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobankorganisatie 1994 op de geldleningsovereenkomst tussen [verzoeker] en Auto Palace B.V. noch door vermelde aantekening (aangebracht door [verweerder 2]) in het aandelenregister kan een rechtsgeldig pandrecht worden gevestigd.
Voorzover [verweerder 2] nog ter zitting heeft bedoeld te betogen dat de aandelen door hem aan [verzoeker] zijn overgedragen stuit dit eveneens af op het voorgaande."
2.2 Onderdeel 1 klaagt dat het hof geen acht heeft geslagen op de stelling van [verweerder 2] in appel dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage, waarbij hij is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [verweerder 1], zodat dit vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan.
2.3 De klacht faalt. Het hof heeft blijkens rechtsoverweging 2 onderkend dat het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage dat [verweerder 1] executeert, uitvoerbaar bij vooraad is verklaard (art. 233 Rv Pro.). De stelling van [verweerder 2] in appel dat hij hoger boeroep heeft ingesteld tegen dat vonnis behoefde aldus geen verdere bespreking. Overigens kan de klacht niet tot cassatie leiden omdat [verzoeker] niet met succes kan klagen over het passeren van een stelling van zijn wederpartij - [verweerder 2] - uit de vorige instantie.
2.4 Onderdeel 2 klaagt wederom over het passeren van stellingen van [verweerder 2] in appel. Voorzover [verzoeker] met succes zou kunnen klagen over het passeren van een van de geïntimeerden in hoger beroep, faalt het onderdeel. Het onderdeel voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.; het vermeldt niet waarom hetgeen het aanvoert over art. 2:196, lid 2 B.W. tot cassatie van de beschikking van het hof zou moeten leiden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Bedoeld zal zijn het verzoek af te wijzen.
2 De uitspraak van het hof is m.i. een beschikking.
3 Het verzoekschrift in op 19 maart 2003 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.