1 In de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, gedateerd 9 december 1991, is een bepaling van gelijke strekking neergelegd in punt 17 onder b.
2 Asser-Hartkamp, 4-1, W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, nrs. 388 e.v., Studiereeks burgerlijk recht, Verbintenissenrecht algemeen, Brunner- De Jong, Kluwer 1999, nr. 216.
3 Hofstra/Stevens, Kluwer 1998, nr. 58, blz. 59, vgl. Stevens, Inkomstenbelasting 2001, Kluwer 2001, nr. 57, laatste alinea, blz. 58: "Pas nadat de aanwezigheid van inkomen is geconstateerd, kan toerekening aan de van toepassing zijnde box plaatsvinden." Vergelijk in dit verband Niessen, WFR 1997/6227, met name 2.3. en Dits, Inkomsten uit vermogen, Kluwer 1989, blz. 44, laatste drie alinea's.
4 Hofstra/Stevens, t.a.p., doorlopend op blz. 60.
5 Niessen in de FED-bundel Fantasie en durf, 1991, blz. 79, vgl. Dits, Inkomsten uit vermogen, Kluwer 1989, blz. 39, laatste alinea, doorlopend op blz. 40.
6 Vergelijk HR BNB 1993/203, ,met noot van Van Dijck, met name 3.3. op blz. 1489.
7 Overigens is de Wet op de inkomstenbelasting 2001 op dit punt niet afwijkend.
8 Van Dijck, Rangorde in de Wet IB, FED, 1999, blz. 14 en 15, Op blz. 16 e.v., brengt de schrijver alle functies van de rangorderegeling in kaart.
9 Van Dijck, t.a.p. blz. 40/41 onder 2.3.4.
10 Zie ook V-N 1974, blz. 347, punt 10, FED, IB '64: Art. 24:60, met noot Telkamp, Van Brunschot en Sprey in WPNR 1975/5311, blz. 417, rk., laatste alinea, doorlopend op blz.418, Rensema, Algemene aspecten van inkomsten uit vermogen, FED 1991, 4.1.1 en 4.1.1.1, blz. 34 e.v., Dits, t.a.p., blz. 213 tweede alinea e.v. en A-G Verburg in zijn conclusie voor HR BNB 1988/257, met noot van Van Dijck, blz. 1648, rgs. 5 e.v.
11 T.a.p., blz. 7, laatste alinea; in dezelfde zin de annotatie in VN, t.a.p., blz. 349:"Uit de situatie blijkt dat pacht hoewel geen zakelijk recht, de waarde drukt en zelfs tendeert naar een stuk vermogen."
12 Annotatie onder HR 25 juni 1969 (BNB 1969/212) in het FED IB '64: Art. 24: 14, blad 4, derde alinea van de aantekening, doorlopend op blad 5, zie ook Dits, t.a.p., blz. 180 eerste twee alinea's.
13 Hofstra/Stevens, t.a.p., blz. 477, tweede alinea. Het arrest wordt niet behandeld in Stevens, Inkomstenbelasting 2001.
14 na conclusie van A-G Van den Berge en met noot van Van Dijck.
15 met noot Zwemmer.
16 t.a.p., blz. 2155 onder 3.4.
17 t.a.p., blz. 2158, rgs. 3 t/m 5. Zwemmer trekt ook een parallel met de onbelaste borgtochtvergoeding. Een verschil daarmee is wel dat bij borgtocht de borg risico loopt met zijn hele vermogen en het vermogen als zodanig is geen bron van inkomen, maar de bestanddelen daarvan zijn even zovele bronnen. Van Dijck, Vervanging van inkomsten, FED 1996, 4.5.3.3., blz. 99/100, spreekt in dit verband van bovenbronnelijkheid, vgl. Smit, Borgtocht, FED 1993, 7.2, blz. 54.
18 Van Dijck, Persoonlijke verplichtingen, FED 1994, blz. 36 onder 3.2.1. en - enigszins anders geformuleerd - , in WFR, 1970, nr. 4994, onder 2.
19 Overigens verdient opmerking dat uit het dossier niet blijkt van pogingen van de verkoper om de huurders uit het verkochte te doen verhuizen, maar wel van een poging daartoe door de koper.
20 Van Dijck, Persoonlijke verplichtingen, t.a.p., blz. 47.
21 Van Dijck, Persoonlijke verplichtingen, t.a.p., Smit, Borgtocht, t.a.p., 7.3, blz. 54/55.
22 Het arrest speelde onder het Besluit op de inkomstenbelasting 1941. Getransponeerd naar de Wet zijn de uitkeringen belast als periodieke uitkeringen uit vermogen indien een recht op de vergoeding is toegekend, dan wel als periodieke, niet vorderbare uitkeringen gedaan door een rechtspersoon (artikel 30, eerste lid, onder d)( zie Smit, t.a.p.). Van Dijck annoteert m.i. terecht: "De belastingplichtige bedong geen recht op maandelijkse uitkeringen voor het stellen van een
bankgarantie, maar bedong een maandelijkse vergoeding voor het bij voortduring garant zijn".
BNB 1961/329, blz. 911, rgs. 53 e.v.
23 BNB 1996/265, blz.2158, rgs. 15 e.v.
24 Vergelijk HR BNB 1996/265, met noot Zwemmer.
25 Belanghebbende noemt in zijn beroepschrift aan het Hof de prikkelfunctie wel als mogelijke functie van een boetebeding: blz. 5, onder punt 6 ad a: "Een dergelijk boetebeding kan een tweeledig karakter hebben: een schadevergoedingskarakter en/of een aansporing tot nakoming van de verbintenis."
26 Dat het niet mogelijk zou zijn om naast de boete nakoming van de verplichting tot levering vrij van huur te vorderen, zoals belanghebbende meent, is een misverstand (blz. 7, tweede alinea van het beroepschrift aan het Hof). Artikel 92, eerste lid, Boek 6 BW, bepaalt weliswaar dat de schuldeiser niet tegelijk nakoming van de hoofdschuld en het boetebeding kan vorderen, maar dat geldt niet in het geval dat de boete enkel op vertraging gesteld is (Asser-Hartkamp 4-1, nr. 395, vgl. Studiereeks burgerlijk recht, Verbintenissenrecht algemeen, Brunner- De Jong, blz. 193, eerste alinea.
27 vgl. het verweerschrift van de Inspecteur aan het Hof blz. 5, derde alinea.
28 Conclusie van repliek in cassatie, blz. 1, laatste alinea. Belanghebbende benadert hiermee de casus van HR BNB 1975/1, waarin een minderheidsaandeelhouder aan de groot-aandeelhouder een jaarlijkse vergoeding verstrekte voor het niet-uitoefenen van diens aandeelhoudersrechten. De Hoge Raad oordeelde op grond van het complexcriterium dat geen sprake was van periodieke uitkeringen.
29 Verweerschrift in cassatie, blz. 2, tweede alinea.
30 Uitspraak Hof, blz. 4, onder 6.2. laatste alinea.
31 T.a.p., blz. 2, onder c.