ECLI:NL:PHR:2004:AF7810
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over precariobelasting op leidingen en kabels in gemeentegrond en gedoogplicht
Belanghebbende, een energiebedrijf, kreeg van de gemeente 's-Gravenhage precariobelastingen opgelegd over de jaren 1994, 1995 en 1996 vanwege het hebben van leidingen en kabels in gemeentegrond. Na bezwaar en beroep stelde het hof belanghebbende in het gelijk en vernietigde de aanslagen. De gemeente stelde cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of de gemeente een gedoogplicht had ten aanzien van de leidingen en kabels die belanghebbende in de gemeentegrond had, mede na een gemeentelijke grenswijziging waarbij het gebied overging van Wateringen naar Den Haag. Het hof oordeelde dat belanghebbende nog steeds als concessiehouder moest worden beschouwd en dat de gemeente Den Haag de verplichting tot gedogen had overgenomen.
De Hoge Raad stelde echter dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de gemeente Den Haag een gedoogplicht had. De Hoge Raad benadrukte dat publiekrechtelijk gedogen niet automatisch privaatrechtelijk gedogen impliceert en dat een gedoogplicht slechts ontstaat indien de Belemmeringenwet Privaatrecht is gevolgd. Verder concludeerde de Hoge Raad dat de concessie verleend door de provincie Zuid-Holland niet de gemeente Den Haag in privaatrechtelijke zin bindt.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling. Tevens wees de Hoge Raad op de discussie omtrent de vrijstelling van precariobelasting voor voorwerpen die uitsluitend in een algemeen belang voorzien, en liet de verdere beoordeling van feitelijke klachten over aan het verwijzingshof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof.