ECLI:NL:PHR:2004:AF7824
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van belastingheffing op overdracht van pensioenkapitaal tussen Nederland en België in het licht van het belastingverdrag
Deze zaak betreft de vraag of het oude belastingverdrag tussen Nederland en België Nederlandse belastingheffing toestaat over de overdracht van pensioenkapitaal van een Nederlandse pensioen-BV naar een Belgische verzekeraar, waarbij de pensioengerechtigde inwoner is van België.
De Inspecteur had op grond van artikel 11c van de Wet op de loonbelasting 1964 een fictieve afkoop van de pensioenaanspraak belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. Het Hof oordeelde dat deze fictieve afkoop niet leidt tot het verlies van het pensioenkarakter van de aanspraak en dat het Nederlandse heffingsrecht in strijd is met het Verdrag, omdat het leidt tot dubbele belasting.
De Staatssecretaris voerde in cassatie aan dat de aanspraak niet als pensioen maar als loon uit dienstbetrekking moest worden gekwalificeerd en dat de fictieve afkoop een terugname van vrijstelling betrof. De Hoge Raad concludeert dat de fictieve afkoop niet leidt tot een betaling of verkrijging in de zin van het Verdrag, waardoor artikel 18 (pensioenen) niet van toepassing is en artikel 15 (loon) evenmin. Het inkomen valt daarom onder het restartikel (artikel 22) en het heffingsrecht behoort aan de woonstaat van de belanghebbende, België.
De conclusie is dat de Nederlandse heffing niet verenigbaar is met het Verdrag en dat het beroep van de Staatssecretaris ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; Nederland heeft geen heffingsrecht over de fictieve afkoop van de pensioenaanspraak.