1) In cassatie dient te worden uitgegaan van de volgende feiten (zie r.o. 2 van het vonnis d.d. 11 januari 2001 van de rechtbank).
[Betrokkene 2] (in de gedingstukken ook wel: "[betrokkene 2]", hierna te noemen [betrokkene 2]) heeft aan verweersters in cassatie, [verweerder 1] en [verweerster 2] (hierna tezamen: [verweerder] c.s.), op 7 augustus 1998 een loods met ondergrond en erf verkocht, ter grootte van ongeveer 10 aren, voor ƒ 20.000,--. Deze loods met ondergrond en erf maakte tot dat moment deel uit van het perceel [a-straat], kadastraal bekend gemeente Horst, sectie [A], nummer [002]. In verband met de verkoop heeft een splitsing van dat perceel plaatsgevonden (het perceel van de loods met ondergrond en erf kadastraal is geworden: gemeente Horst, sectie [A], nummer [001]).
Voorafgaande aan voormelde koop is in opdracht van [verweerder 1] door Makelaarskantoor [B] B.V. op 25 juni 1998 een taxatie verricht in verband met de waardebepaling van de loods met ondergrond ten behoeve van aankoop. De vrije verkoopwaarde van de loods met ondergrond is in dit rapport getaxeerd op ƒ 20.000,--.
Op 10 augustus 1998 is de transportakte ter zake van de loods met ondergrond en erf in de woning gelegen aan [a-straat] te [plaats] door de notaris verleden. [Betrokkene 2] en [verweerder] c.s. hadden ook gesproken over een voorkeursrecht en het was hun bedoeling geweest dat op 10 augustus 1998 eveneens notarieel vast te leggen, maar omdat [betrokkene 1] (zie hieronder) dat niet wilde, wilde de notaris dat niet doen en is dat niet gebeurd.
Op 7 oktober 1999 is [betrokkene 2] overleden (in het vonnis staat "1998", maar zie r.o. 4.1 van het arrest van het hof).
In het testament van [betrokkene 2] d.d. 24 december 1963 is [betrokkene 1] (in de gedingstukken ook wel: "[betrokkene 1]", hierna te noemen [betrokkene 1]) benoemd tot enig erfgenaam. [Betrokkene 2] en [betrokkene 1] hadden als broer en zus tot dat moment samengewoond in de woning gelegen aan [a-straat] te [plaats]. Door erfopvolging is [betrokkene 1] thans eigenaar van deze woning.
In opdracht van [betrokkene 1] is op 12 januari 2000 de loods met ondergrond en erf door [betrokkene 6] getaxeerd en is de vrije verkoopwaarde, ervan uitgaande dat het om bouwgrond gaat, bepaald op ƒ 175.000,--.
[Betrokkene 1] is bij beschikking van 23 december 1999 onder bewind gesteld en daarbij is eiser tot cassatie, [eiser] (hierna: [eiser]), een neef van haar als ook van [verweerster 2], tot bewindvoerder benoemd.
Daarnaast moet in cassatie worden uitgegaan van de volgende, door het hof vastgestelde feiten (zie r.o. 4.2 van het arrest d.d. 28 mei 2002).
[Betrokkene 1] is in ieder geval sinds medio 1997 onder behandeling van een arts voor depressies. In een behandelplan en decursus dat ten behoeve van haar is opgesteld, staat onder het kopje "13-11-1997/decursus/[betrokkene 7]" onder meer de volgende zin: "Wel is [betrokkene 2] bekend bij [betrokkene 3], neuroloog in [plaats]. Door [betrokkene 3] werd de diagnose morbus Alzheimer vastgesteld" (productie 6 bij conclusie van eis).
Bij brief van 8 november 1999 schreef notarisklerk [betrokkene 4] aan de bewindvoerder: "U stelt dat de verkoper, [betrokkene 2] ten tijde van het ondertekenen van de diverse stukken niet meer in het bezit was van voldoende geestelijke vermogens. Bij het ondertekenen van de volmacht ten huize van de verkoper heb ik dit geenszins kunnen bespeuren. Ook notaris [betrokkene 5], die deze akte van levering aan huis heeft gepasseerd, heeft niet geconstateerd, dat verkoper ten tijde van het passeren der akte niet beschikte over voldoende geestelijke vermogens. Indien notaris [betrokkene 5] enigszins getwijfeld zou hebben omtrent de geestelijke toestand van verkoper, dan zou notaris [betrokkene 5] deze akte zeker niet hebben gepasseerd" (productie 8 bij conclusie van antwoord).
[Betrokkene 2] woonde tot 15 juni 1999 in zijn woning aan de [a-straat] te [plaats]. Op die datum werd hij opgenomen in het verpleeghuis Elzenhorst. Hij werd daar op somatische afdelingen verpleegd.