ECLI:NL:PHR:2004:AI0673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor kinderopvangdiensten en bemiddelingsdiensten volgens artikel 4 lid 3 Wet OB
Belanghebbende verzorgt namens opdrachtgevers de plaatsing van kinderen bij kinderopvangcentra en gastouders, sluit op eigen naam overeenkomsten en verricht administratieve diensten zoals inning van bijdragen en financiële administratie. Het geschil betreft de vraag of deze diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11 lid 1 onderdeel Pro f Wet OB en het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de kinderopvangdiensten en de diensten van belanghebbende als tussenpersoon op grond van artikel 4 lid 3 Wet Pro OB als één prestatie worden gezien en vrijgesteld zijn. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, met name tegen het standpunt dat geen afzonderlijke bemiddelingsdienst kan worden onderkend.
De conclusie van de A-G benadrukt dat belanghebbende geen instelling voor kinderopvang is en dat de administratieve diensten niet zonder meer onder de vrijstelling vallen. Van belang is of de bemiddelingsdiensten opgaan in de kinderopvangdiensten volgens artikel 6 lid 4 van Pro de Zesde Richtlijn. Gelet op onduidelijkheid over deze uitleg wordt geadviseerd een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Indien het HvJ EU oordeelt dat de bemiddelingsdiensten niet opgaan in de kinderopvangdiensten, moet de uitspraak van het Hof worden vernietigd en dient nader onderzoek plaats te vinden naar de aard van de administratieve diensten en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel. De conclusie adviseert schorsing van de zaak en het vragen van duidelijkheid over de reikwijdte van de Europese bepalingen.
Uitkomst: De Hoge Raad wordt geadviseerd de zaak te schorsen en prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 6 lid 4 van de Zesde Richtlijn.