1 Voor een informatief en lezenswaardig overzichtsartikel verwijs ik gaarne naar R.F.C. Spek en M.A.C. van Elk, Verzuimboeten bij te late aangifte: een glijdende norm, Weekblad 2003, blz. 249-255.
2 (mijn noot) De vaststelling van de aangifteformulieren hoeft sinds de inwerkingtreding (op 1 januari 2001) van de Wet van 14 december 2000, Stb 2000, 569 (Belastingplan 2001) niet meer bij ministeriële regeling te gebeuren.
3 Zo luidde het eerste lid van art. 67a Awr van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2001. Per 1 januari 2002 is in verband met de invoering van de euro de in de bepaling genoemde maximumboete gewijzigd in € 1134.
4 (mijn noot) Per 1 januari 2002 is hieraan de premieheffing ingevolge de Ziekenfondswet toegevoegd.
5 (mijn noot) In de periode van 1 januari 1998 tot en met 18 september 1999 luidde § 21 aldus:
1. Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte voor een belasting (premie volksverzekeringen en de premie ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen daaronder begrepen) die bij wege van aanslag wordt geheven, wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim.
2. Van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.
3. De inspecteur legt in geval van een eerste verzuim een boete op van 5 procent van het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen. De verzuimboete is niet lager dan f 25. In geval van een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 10 procent van het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen. De verzuimboete is niet lager dan f 50. De inspecteur legt een boete van 15 procent op van het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen, indien sprake is van een derde/volgend verzuim. De verzuimboete is niet lager dan f 100 en niet hoger dan f 2500.
4. De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
5. Indien sprake is van het niet doen van aangifte legt de inspecteur een verzuimboete op van 15 procent van het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen. De verzuimboete is niet lager dan f 100 en niet hoger dan f 2500.
6 Het komt zelfs voor dat alle drie de heffingen in één aangiftebiljet bijeen zijn gebracht. Zie Hof Arnhem 4 september 2002, NTFR 2002/1586. Zie ook de zaken met HR-nummers 38.295-7.
7 Ook voor de premieheffing Ziekenfondswet kan met zo'n aangiftebiljet aangifte worden gedaan. In de onderhavige zaken speelt dat echter geen rol.
8 HR-nummers 38.550 en 38.921.
9 HR-nummers 38.295-7.
10 Vgl. ook HR-nummer 38.143.
11 Dit is de mondelinge uitspraak; de schriftelijke uitspraak is van 14 maart 2002 en daarop ziet HR-nummer 38.200; zie ook HR-nummer 38.227. Vgl. voorts HR-nummers 38.084, 38.200, 38.758 en 38.761
12 HR-nummer 37.920.
13 HR-nummer 38.681. Een zelfde redenering is gevolg door de vijfde enkelvoudige belastingkamer van het Amsterdamse hof in de zaak met HR-nummer 38.895.
14 (mijn noot) Het verschil tussen PVV en WAZ komt later aan de orde, maar ik wijs thans alvast erop dat deze volzin miskent dat art. 62, lid 2, Wet IB 1964 in deze situatie voorziet. Dat lid luidt immers als volgt:
Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen bij wege van één aanslag, met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting. In dat geval wordt, indien artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt, die bepaling eenmaal toegepast.
Per 1 januari 2001 is deze bepaling vervangen door art 9.1, lid 3, Wet IB 2001.
15 Ik citeer het beroepschrift in cassatie in de zaak met HR-nummer 37.920.
16 Deze bepaling trad in werking op 24 november 1984 en werd op 1 januari 1998 vervangen door art. 67a, eerste - tot 1 januari 2001 enige - lid, AWR. De eerste volzin van art. 9, lid 3, AWR luidde tot 1 januari 1994:
De inspecteur die aan een belastingplichtige een aangiftebiljet heeft uitgereikt, althans een voor deze bestemd aangiftebiljet ter post heeft bezorgd, kan, niet eerder dan een maand na de uitreiking of ter post bezorging, de belastingplichtige schriftelijk aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen.
17 Kamerstukken II, 1987/88, 20 595, nr. 3, blz. 54.
18 (mijn noot) Bedoeld is art. 62, lid 2, Wet IB 1964, geciteerd in noot 14.
19 Kamerstukken II, 1988/89, 20 595, nr. 8, blz. 88.
20 Kamerstukken II, 1988/89, 20 595, nr. 11, blz. 46-47.
21 Kamerstukken II, 1988/89, 20 595, nr. 13, blz. 82.
22 A.A. Franken, 'Hetzelfde feit', over samenloop van strafbare feiten en het non bis in idem-beginsel, Nijmegen: Ars Aequi libri 1995, p. 9.
23 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer Gouda Quint 2003, blz. 515.
24 Ter voorkoming van misverstand: ik besef dat deze voorschriften - gelet op o.m. HR 7 september 1988, BNB 1988/298 - sowieso niet toepasbaar zijn op de fiscale boeten. Het gaat mij hier echter om de aan die bepalingen ten grondslag liggende gedachten.
25 M.W.C. Feteris, Fiscale bestuurlijke boetes en het recht op een behoorlijk proces, Deventer: Kluwer 2002, p. 433 e.v.
26 Trb. 1978, 177, p. 38.
27 Zie J.A.W. Lensing, Ne bis in idem in strafzaken: een rechtsvergelijkende en internationaalstrafrechtelijke oriëntatie (preadvies Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking, nr. 60), Deventer: Kluwer 2000, p. 91 e.v.
28 HR 5 februari 1991, NJ 1991, 402 en HR 21 mei 1991, NJ 1991, 728 m.nt. ThWvV.
29 Zie ook art. 9, lid 4 (oud), en art. 18, lid (oud), AWR. Vgl. thans de art. 67o en 69a AWR.
30 Zie EHRM 27 mei 2001, Franz Fischer t. Oostenrijk, nr. 37950/97. Naar aanleiding van de zaak Oliveira (EHRM 30 juli 1998, Oliveira t. Zwitserland, nr. 84/1997/868/1080 is er discussie ontstaan over de vraag hoe deze beslissing valt te rijmen met die in de zaak Gradinger (EHRM 23 oktober 1995, Gradinger t. Oostenrijk, Series A, nr 328-C). Zie daarover Lensing t.a.p., p. 132 e.v. en de aldaar aangehaalde literatuur.
31 Ik laat hier in het midden of van de verzend- of ontvangsttheorie uitgegaan moet worden.
32 Ik kon overigens niet van alle Hoven jurisprudentie vinden; de Hoven Leeuwarden en Den Bosch ontbreken in mijn lijstje.
33 HR-nummer 38.034. Vgl. ook de HR-nummers 37.943, 37.944, 38010, 38.144, 38.758 en 38.804. In gelijke zin Hof Den Haag 30 januari 2002, nr. 01/00583, FED 2002/217, en 30 oktober 2001, nr. 00/02785, FED 2002/216.
34 HR-nummer 38.215.
35 HR-nummer 38.015; in dezelfde bewoordingen HR-nummer 38.017.
36 HR-nummer 39.187.
37 HR-nummer: 39.078. Pikant is trouwens dat de belanghebbenden in deze beide Arnhemse zaken echtelieden zijn.
38 HR-nummer 37.804.
39 Ik citeer uit HR-nummers 39.178 (voor variant I) en 39.087 (voor variant II).
40 HR 23 november 1988, BNB 1989/29.
41 HR-nummer 38.215.
42 Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 september 1998, nr. AFZ 98/2966, Stcrt. 25 september 1998, nr. 183, VN 1998/46.08.
43 Persbericht Ministerie van Financiën 13 februari 2001, nr. 2001/047, VN 2001/12.5.
44 Ik heb het hier niet over AVAS.