ECLI:NL:PHR:2004:AM2315
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijs- en bewijslastverdeling bij beëindiging exclusieve distributieovereenkomst na wetswijziging Egypte
Partijen sloten in 1979 een agentuurovereenkomst die door eiser als exclusieve distributieovereenkomst werd uitgevoerd. In 1987 trad in Egypte een wet in werking die de import van kant-en-klare producten verbood, waarna partijen een licentieovereenkomst sloten voor assemblage van onderdelen. Eiser stelde dat de oorspronkelijke distributieovereenkomst een sluimerend bestaan leidde en na intrekking van het importverbod in 1993 weer volledig van kracht werd.
De rechtbank wees de vordering van eiser af, het hof oordeelde dat de distributieovereenkomst was geëindigd met de licentieovereenkomst en dat eiser het bewijs moest leveren van het voortbestaan. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde door het bewijsrisico bij eiser te leggen terwijl Atlanta als verweerder het bewijs moet leveren van beëindiging van de overeenkomst.
De Hoge Raad benadrukt dat onder het toenmalige recht tijdelijke overmacht, zoals een importverbod, niet automatisch tot beëindiging van de overeenkomst leidt maar tot schorsing. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling waarbij Atlanta het bewijsrisico draagt voor het beëindigingsverweer en het bewijsmateriaal opnieuw wordt gewogen.
Uitkomst: Arresten van het hof vernietigd en zaak verwezen voor hernieuwde beoordeling met gewijzigde bewijslastverdeling.