ECLI:NL:PHR:2004:AN7625
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waardevermindering overblijvend perceel bij onteigening Betuweroute
De zaak betreft de onteigening van een deel van een perceel ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute. De Rechtbank had de waardevermindering van het overblijvende deel van het perceel vastgesteld op ƒ 81.725, gebaseerd op de waarde van het geheel vóór onteigening minus de vergoeding voor het onteigende en de waarde van het overblijvende.
De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank onjuist heeft geoordeeld door ook waardevermindering toe te rekenen aan hinder veroorzaakt door het gebruik van spoorlijnen op aangrenzende percelen, die niet onteigend zijn. Volgens vaste jurisprudentie komt alleen waardevermindering toe die voortvloeit uit het werk dat op het onteigende wordt aangelegd.
Daarnaast constateert de Hoge Raad inconsistenties in de waarderingen van de deskundigen en het vonnis, waardoor het oordeel van de Rechtbank niet begrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de waardevermindering van het overblijvende deel als gevolg van het gebruik van de spoorlijn op het onteigende.
De incidentele cassatiemiddelen van de wederpartij worden afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dat de peildatum voor schadeloosstelling 17 november 1999 is en dat de geluidsoverlast naar verwachting de norm niet overschrijdt.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de waardevermindering van het overblijvende perceel.