ECLI:NL:PHR:2004:AN7826
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging alimentatieplicht bij samenleven ex artikel 1:160 BW
In deze zaak staat centraal of de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw is geëindigd vanwege haar samenwonen met een ander als bedoeld in artikel 1:160 BW Pro. De man vordert terugbetaling van alimentatie sinds 1998, stellende dat de vrouw samenwoont als gehuwd met haar nieuwe partner.
De rechtbank verklaarde de man niet-ontvankelijk, het hof ontving de vordering maar wees deze af wegens onvoldoende bewijs van samenleven in de zin van artikel 1:160 BW Pro. Het hof onderscheidde de fiscale economische eenheid van het begrip samenleven in BW en stelde dat het bestaan van een duurzame affectieve relatie met wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding ontbrak.
De Hoge Raad bevestigt dat het gezag van gewijsde van een eerder arrest over fiscale economische eenheid niet bindend is voor de vraag over samenleven ex artikel 1:160 BW Pro. De bewijslast ligt bij de man en het hof heeft terecht geoordeeld dat onvoldoende bewijs is geleverd van een duurzame affectieve relatie. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en de cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de cassatie af en bevestigt dat de alimentatieplicht niet is geëindigd wegens gebrek aan bewijs van samenleven als gehuwd ex artikel 1:160 BW.