ECLI:NL:PHR:2004:AN8069
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over appellabiliteit bij wijziging van eis en toepasselijke appelgrens in incassovordering
In deze zaak gaat het om een incassovordering van een verzekeraar tegen een verzekerde voor betaling van premies en bijkomende kosten. De verzekeraar had een bedrag van ƒ 5.395,45 aan premies betaald en wilde dit van de verzekerde terugvorderen. Na diverse correspondentie en betalingsvoorstellen werd een dagvaarding uitgebracht voor een bedrag van ƒ 4.841,26, inclusief incassokosten en rente.
De kantonrechter verleende verstek en veroordeelde de verzekerde tot betaling, waarbij buitengerechtelijke kosten werden gematigd. De verzekerde stelde verzet in en het verstekvonnis werd vernietigd. In hoger beroep werd de verzekerde niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank oordeelde dat de vordering was verminderd tot een bedrag onder de appelgrens, waardoor hoger beroep niet mogelijk was.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld over de appelgrens omdat deze uitging van een vermeende eisvermindering die niet formeel was vastgesteld en die partijen niet als zodanig hadden behandeld. De appelgrens moet worden beoordeeld aan de hand van de oorspronkelijke vordering waarover de eerste rechter heeft beslist, ook als er later betalingen zijn gedaan. Daarnaast is van belang dat het oude procesrecht met lagere appelgrenzen van toepassing blijft op zaken die vóór 1 januari 1999 zijn ingeleid.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar de rechtbank. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van appelgrenzen en de beoordeling van eiswijzigingen in civiele procedures.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de appellabiliteit.